Door recht verlost 1

Door recht verlost 1
”Sion zal door recht verlost worden en haar wederkerenden door gerechtigheid.”
Jesaja 1: 27
 Ongetwijfeld kent u deze bekende woorden uit het Oude Testament. Woorden rijk van inhoud.  “Sion zal door recht verlost worden en zijn wederkerenden door gerechtigheid.” Er is sprake van bekering en van verlossing. De Heere belooft dit. Niet op grond van iets van de mens. Maar verlossing door Gods recht en Gods gerechtigheid. De verlossing gaat door Gods gericht heen. Gods gericht dat zowel straffend als verlossend is.
 

Ik moest aan deze woorden denken naar aanleiding van een preek van mijn oudste zoon afgelopen zondagavond over zondag 5 van de Heidelberger Catechismus. God wil dat aan Zijn gerechtigheid genoeg geschiede. Of door onszelf of door een ander. Het evangelie verkondigt ons: Door De Ander. De Heere Jezus heeft volkomen genoeg gedaan. Hij heeft echt genoeg gedaan. Wat een evangelie.  Genoeg. Er behoeft van u en mij niets bij.Jesaja laat ons ruiken aan een geurige bloem die de blijde boodschap verspreidt in het Oude Testament. De bloem bloeit voller en rijker open in het Nieuwe Testament in Christus Jezus. Laten we eerst kijken naar de omgeving van deze tekst. Bijbelwoorden staan immers in een bepaald verband.  
De profeet Jesaja moet de stad Jeruzalem aanklagen (vers 21 – 23). Vanuit een innerlijke pijn en smart roept hij het uit. Het doet hem veel leed. Hoe! Ach! Jeruzalem, is dat van jullie geworden? Jeruzalem toch! Ik kan niet anders dan een rouwklacht aanheffen. Een jammerklacht over de zonde van Jeruzalem. “Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden.”Probeert u het in te denken. Naast u woont een keurig gezin. De vrouw en moeder is een liefhebbende echtgenote die vol liefde trouw zorgt voor haar gezin. Kortom, een harmonieus gezin. Op een kwade dag is zij vertrokken. Zij laat haar man en kinderen in verwarring achter. Wat blijkt? Zij leeft voortaan als een publieke vrouw. Toch niet in te denken. De Heere klaagt: Hoe is de getrouwe stad tot een hoer geworden!  Ach toch!!De profeet klaagt erover dat de stad, die vroeger een getrouwe behoedster van het recht was, een roversnest is en dat zij, die eerst een heilige en reine maagd was, in een hoer is veranderd (Calvijn).  
Vol heimwee denkt Jesaja terug aan het verleden. Jeruzalem was eens een getrouwe stad, een stad vol trouw aan God en Zijn verbond en inzettingen. Een stad waarin men leefde naar Gods Woord. Een getrouwe stad betekent ook een hechte stad, waar het  veilig is. Het is daar goed wonen. Het recht van Gods inzettingen en verbond heerste er. Gerechtigheid herbergde, overnachtte daarin. Gerechtigheid was niet slechts een doortrekkende gast, maar had er nacht en dag haar tehuis, een vaste woonplaats. Waar in een stad recht en gerechtigheid geschieden in een leven naar Gods Woord is veiligheid. Juist de zwakken en ellendigen behoeven niet te vrezen.  O ja wel, ook in het verleden werd er zonde gevonden en lieten zich andere trekken zien. Maar de profeet denkt aan de dagen van David, een man naar Gods hart, en van Salomo en andere godvruchtige koningen zoals Josafath. Zij straalden in hun regering iets uit van de regel van het goddelijk recht naar Gods verbond.  Nu is het zo totaal anders onder de regering van koning Achaz. Overal is goddeloosheid te zien. Een  verlaten van de Heere en een buigen voor de afgoden. De stad die eens aan God  trouw was, is van Hem afgeweken als een hoererende vrouw van haar man, als een publieke vrouw. Men is zijn leven er niet meer zeker. Het is een stad vol moordenaars. In naam van het recht worden er moorden gepleegd. 
Men mag toch van de leidslieden, de door de koning aangestelde ambtenaren zoals belastinginners en rechters, verwachten dat zij handelen en rechtspreken in overeenstemming met Gods inzettingen. Maar zij verkrachten het recht. Zij laten zich leiden door hebzucht. Ze zoeken de geschenken en laten zich dus omkopen. Er is niets nieuws onder de zon. Zij worden vergeleken met zilver en edele wijn. Helaas is zowel het zilver als de wijn ontaard. In plaats van zilver lijken ze meer op het schuim, de slakken in de smeltoven. De wijn is vermengd met water en is van haar kracht en geur beroofd. De leidslieden zijn tegen God opstandig en heulen met de dieven en alle rechtsverkrachters en zij laten zich door geschenken omkopen. In plaats van het op te nemen voor de verdrukten en ellendigen in de maatschappij verschaffen zij de wees geen recht en de rechtszaak van de weduwe bereikt hen niet eens. Zij laten hen gewoon stikken. Terwijl de HEERE het juist voor de zwakken, de ellendigen, wezen en weduwen opneemt.   
Zie daar, de aanklacht. In deze aanklacht tegen de stad Jeruzalem worden de zonden heel concreet genoemd. Dat is zeer confronterend als op een dergelijke manier de spiegel wordt voorgehouden. Niemand kan daar onder uit. Horen we in deze woorden de aanklacht tegen ons? Tegen u heel persoonlijk? Elke  zondag komen we samen rondom Gods Woord.  In de morgendienst wordt de wet des HEEREN ons voorgehouden. Moeten Gods Woord en Gods wet ons niet aanklagen vanwege onze zonden? Laten we eens heel concreet onze zonden voor de Heere belijden. Heere, dit en dat heb ik verkeerd gedaan, daar heb ik gezondigd. Dit geeft smart, grote smart. Niet zozeer vanwege de gevolgen der zonden, maar dat ik tegen de Heere heb gezondigd. Ik heb tegen U, U alleen gezondigd, ik heb gedaan wat kwaad is in uw ogen.
Ik verneem meer in deze aanklacht.” Hoe is de getrouwe stad tot een  hoer geworden.” David heeft het in zijn leven beleden voor de Heere in Psalm 51. ”Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren en in zonde heeft mij mijn moeder ontvangen.” Eens waren we om zo te zeggen een getrouwe stad. Geschapen naar Gods beeld. Heel ons leven was gericht naar de Heere, vol van de Heere in heiligheid voor Hem. We zijn dit kwijt. Door eigen schuld. We zij van de Heere afgeweken, van Hem vervreemd en overgegeven aan vijandelijke machten. Er zijn niet alleen de tijdelijke, de dagelijkse zonden, maar er is ons van de Heere afgevallen, vleselijk bestaan. Tot in onze wortel toe is er niets goeds bij ons te vinden. Laten we met onze zonden en ons zondig bestaan naar de Heere vluchten om op te zien naar de gekruiste Christus Die tot zonde gemaakt is. In Hem is verlossing van onze zonden niet alleen, maar ook van ons gevallen zondig bestaan. Christus die overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. Wie opziet naar Christus leert afzien van eigen zonden. In Hem rechtvaardig en in Hem heilig. Laat u met God verzoenen!