Bij mij Is een plaats

Een plaats bij de HEERE  (Ex.33:21) 
De Heere riep Zijn naam uit voor Mozes, de leider van het volk Israel, op de berg Gods.  We weten dat de Heere Zijn volk Israel uit Egypte heeft verlost en bij de berg Sinai opgenomen in Zijn verbond. Hij verbindt zich aan dat volk om hun God te zijn en vraagt van Israel zich aan Hem te geven in gehoorzaamheid als Zijn volk dat Hem dient. De Heere heeft Zijn wet gegeven. ”Ik ben de HEERE uw God die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.” Met deze woorden begint de wet des HEEREN.  “Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden  en schreef ze op twee stenen tafelen ” (Deut.4,13). 
Ik ben de HEERE uw God. De HEERE uw God. Hij is de God van het verbond. Ik ben. De HEERE wijst op zichzelf. Hij wil daarmee zeggen dat zij niets zonder Hem kunnen doen. Jullie kunnen die wet alleen niet houden. Jullie kunnen de wet alleen houden door het geloof in Mij. Ik ben er. Als jullie Mijn wet overtreden en schuldig staan, kom dan tot Mij om bij Mij vergeving te zoeken. Elke keer weer. Zonder Mij kunt gij niets doen. Laten we leven in het diepe besef van onze volkomen afhankelijkheid van het heil van de HEERE. Ik ben de HEERE uw God.
 

De HEERE nodigt vervolgens Mozes uit tot Hem op de berg te komen (Ex.24,12 v.v.). Hij heeft klaar liggen twee stenen tafels waarop de wet geschreven staat om het volk te onderwijzen in de wil des HEEREN. Wanneer Mozes de berg opklimt, bedekt een wolk de berg. Een wolk als teken van Gods tegenwoordigheid. En, zo staat er, de heerlijkheid des HEEREN woonde op de berg  Sinai. De heerlijkheid des HEEREN, de kabood Jahweh. Zijn imponerende glorie. Het woord kabood geeft aan dat de HEERE de God is van zeer groot gewicht. De heerlijkheid des HEEREN is een manifestatie van Zijn aanwezigheid in Zijn glanzende, lichtende glorie. God is een licht.
Het achtergebleven volk ziet op de top van de berg de heerlijkheid des HEEREN door de verhullende wolk stralen als een verterend vuur. Bedenk Israel, bedenk zondig mensenkind, dat geen zondaar voor die God kan bestaan. Maar er valt meer te zeggen.
 
Na zes dagen wachten roept de HEERE Mozes tot Zich in de wolk. Mozes vertoeft er veertig dagen en nachten. De HEERE wil onder het volk wonen in de tabernakel en laat aan Mozes het model zien en geeft de beschrijving er van. Naar dit model moet het gemaakt worden.
Het volk aan de voet van de berg wordt het wachten moe. Ze weten niet wat er van Mozes geworden is. Terwijl de HEERE op de berg spreekt over Zijn woonplaats onder het volk, verlaat het volk de wet des HEEREN en laat een beeld voor God maken. ”Dit zijn uw goden, o Israel, die u uit Egypte hebben opgevoerd.”  U moet dat lezen als: uw God, die u uit Egypte heeft opgevoerd. In het gouden kalf is een beeld voor God gemaakt en zij menen dat in dat beeld God voor hen uitgaat naar het beloofde land. Zij overtreden het tweede gebod van de wet des HEEREN. Zij verbreken het verbond en zondigen zeer. Bandeloos wordt een feest gevierd. Nog maar amper heeft de HEERE Zijn wet gegeven of het volk laat zien dat het de wet niet kan houden.
 
Na de veertig dagen zendt de HEERE Mozes met de beide stenen tafelen terug naar het volk. Hij waarschuwt Mozes wel dat het volk gezondigd heeft. Het is een hardnekkig volk, een volk dat weigert zijn nek te buigen in gehoorzaamheid onder de Heere. De HEERE wil in Zijn toorn dat volk verderven en Mozes tot een groot volk maken. In een ontroerende voorbede wijst hij de HEERE op Zijn verbond met Abraham, Izak en Jakob.
Wanneer Mozes de berg afdaalt en de zonde van het volk met eigen ogen waarneemt, wordt hij toornig en slaat de tafelen stuk. Hij laat hiermee aan het volk zien dat zij het verbond verbroken heeft. 
De HEERE zegt tegen Mozes dat hij het volk maar moet opvoeren naar het beloofde land. De HEERE  heeft dat aan Abraham beloofd en die belofte zal Hij gestand doen. Zelf gaat de HEERE niet mee. De tabernakel wordt niet gebouwd. Wel zal de Heere een engel meesturen.
Mozes heeft in tussen buiten het leger een tent gespannen. De tent der samenkomst. In die tent ontmoet hij in het gebed de Heere.
 
Op een keer gaat hij die tent binnen en bidt tot de Heere. We mogen getuigen zijn van dit bidden. Een samenspraak tussen Mozes en de Heere.
U zegt tot mij: Voer dit volk op. Maar U laat mij niet weten wie U met mij zult zenden. De Heere had gesproken van een engel. De Heere had voorheen beloofd: Zie, Ik zend een engel voor uw aangezicht om u te behoeden op deze weg en om u te brengen tot de plaats die Ik bereid heb. Mijn naam is in het binnenste van hem. (Ex.23, 20 v.v.) We denken bij deze engel aan de Engel des HEEREN, een openbaring van de HEERE zelf. Maar thans, na de zonde met het gouden kalf, spreekt de Heere van een gewone engel, een bode. Daarmee is Mozes niet tevreden.
Hij gaat verder. U hebt gezegd: Ik ken u bij naam. Dit wil zoveel zeggen als dat de HEERE Mozes heel persoonlijk tot een bepaalde taak heeft geroepen en dat Mozes mag delen in een vertrouwensvolle relatie met de Heere.
En ook: Gij hebt genade gevonden in Mijn ogen. Als dat zo is dat ik inderdaad mag delen in Uw genade, toon dat dan en laat mij Uw weg weten. Denk ook aan deze natie dat toch Uw volk is.  
Mozes staat aan de kant van het schuldige volk en pleit voor dat volk dat de HEERE toch Zijn verbond weer vernieuwt en te midden van dat volk wil wonen en het opneemt als Zijn volk. Het is toch Uw volk, Uw eigendom te midden van alle volken.  In Mozes straalt iets uit van de Heere Jezus, de Middelaar Gods en der mensen, de grote voorbidder, die altijd leeft om voor ons te bidden.
 
De HEERE vraagt dan aan Mozes: Zou Mijn aangezicht moeten meegaan om u gerust te stellen? Moet Ik dan zelf meegaan en te midden van dat volk wonen? Dat zal rust geven. Rust en veiligheid op de weg, te midden van de gevaren.  Ook de rust in het beloofde land. Een rusten in de HEERE. Wie in de Schuilplaats des Allerhoogste is gezeten die zal vernachten in de schaduw van de Almachtige. Kijk, er kunnen vele begeleiders, beschermers zijn, zelfs een engel, maar als de Heere gemist wordt! Is het niet nodig dat de Heere met ons gaat door het leven naar de eeuwige rust? Zonder de Heere is er de dood en de duisternis.
Mozes beaamt dat volmondig. Indien Uw aangezicht niet meegaan zal, doe ons van hier niet optrekken. Want dan alleen weet ik dat ik genade gevonden heb in Uw ogen, ik en Uw volk, als U met ons meegaat. Laat het ons alleen om Christus te doen zijn, Christus en Zijn weldaden. De weldaden zijn niet los te verkrijgen.
De HEERE stemt toe. Deze zaak zal Ik doen. De HEERE neemt dit volk weer aan en vernieuwt Zijn verbond. Hij laat niet varen de werken van Zijn handen.
 
Mozes wil het zeker weten. Op de berg woonde de heerlijkheid des HEEREN. Een manifestatie van Zijn aanwezigheid. Heere, zegt hij, toon mij Uw heerlijkheid. Laat het toch zien dat U met ons bent.
In het NT gaat dat heerlijk in vervulling. Jezus is geboren en gelegd in de kribbe. De herders ontvangen als eersten deze heilsboodschap. En zie, een engel des HEEREN stond bij hen en de heerlijkheid des HEEREN omscheen hen. Hier is de HEERE omdat het Kindeke in de kribbe ligt. Gods gemeenschap, God bij mensen om Christus’ wil .
De Heere belooft aan Mozes dat te doen. Hoe ver gaat de Heere in Zijn genade. Ik zal Mijn goedheid aan je voorbij laten gaan. Ik zal de naam des HEEREN voor je aangezicht uitroepen. Ik zal genadig zijn wie ik zal genadig zijn. Ik zal mij ontfermen wiens Ik Mij zal ontfermen.
Later haalt Paulus in Rom9,15 deze woorden aan. Deze woorden willen twee zaken zeggen. God geeft Zijn genade en ontferming alleen omdat Hij het wil en aan wie Hij het wil. Het is genade om genade te ontvangen. Maar ook, en vooral, Ik zal Mij zeker ontfermen en ik zal zeker genadig zijn.  Wie tot de Heere de toevlucht neemt en een beroep doet op Zijn genade, zal  zeker ervaren dat de HEERE genadig is.
 
Toch maakt de HEERE een kanttekening. Dat moet Mozes toch weten. Je zou mijn aangezicht niet kunnen zien, want Mij kan geen mens zien en leven. Een zondig mens kan zich voor eeuwig branden aan de glans van Gods heerlijkheid buiten Christus.
Doch let op. De HEERE voegt daaraan nog iets toe: Zie, er is een plaats bij Mij. Daar zult gij u op de steenrots zetten. Er is een plaats bij de HEERE.
 
Mozes krijgt de opdracht twee stenen tafelen uit te houwen en daarmee tot God op te klimmen. De HEERE zal de wet erop schrijven. Hij vernieuwt Zijn verbond. De volgende morgen klimt Mozes tot de HEERE op de berg. De HEERE kwam nederwaarts in een wolk en stelde zich aldaar bij hem.
 
De HEERE zegt tegen Mozes: Bij Mij is een plaats, stel u daar. En nu lezen we: De HEERE stelde zich aldaar. Er is een plaats bij de HEERE. Een plaats door de HEERE bereid. In Christus. Mozes stelt er zich De HEEERE nodigt hem. De HEERE stelt zich daar. De HEERE is alomtegenwoordig. Maar hier toont de HEERE dat Hij zich naar een zondig mensenkind buigt en deze doet delen in zijn goedheid. Dat is het wonder van het evangelie.
Er is een plaats bij Mij. De HEERE nodigt zondaren uit tot die plaats te komen. In het geloof. Door het geloof neem ik de toevlucht tot die plaats. Daar mag ik staan bij de Heere en de Heere staat bij mij. Welgelukzalig is de mens die bij de Heere woont.