God doet een afgesneden zaak op aarde

God doet een afgesneden zaak op aarde
God doet een afgesneden zaak op aarde. Wellicht komt deze uitdrukking u bekend voor. In sommige kringen worden deze woorden nog al eens in een bepaalde zin gebruikt. De vraag die we nu aan de orde stellen is wat deze woorden ons willen zeggen. We komen ze tegen in de brief van Paulus aan de Romeinen. U vraagt zich wellicht af hoe ik op deze vraag kom. Afgelopen zondag beluisterden wij een preek over Romeinen 9, 27 - 33. Een leerzame en indringende preek. De voorganger nam min of meer zijn uitgangspunt in de woorden uit vers 6: “Want die zijn niet allen Israel, die uit Israel zijn.” Van groot belang voor het Israel uit de dagen van Paulus, maar eveneens van groot belang voor de kerk in onze dagen. De prediker gaf ons veel om over na te denken. Laten we eerst de drie boven aangegeven verzen lezen.
 

27. En Jesaja roept over Israel: Al ware het getal der kinderen  Israels gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.
28 Want hij voleindt een zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde.
29. En gelijk Jesaja tevoren gezegd heeft : Indien de Heere Zebaoth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sodom geworden en Gomorra gelijk gemaakt geweest.
 
Het gaat mij nu vooral om vers 28. Dit vers kwam uiteraard maar even in de preek ter sprake. Het is niet bepaald een gemakkelijke tekst. Ik zou er graag wat nader naar willen kijken om de betekenis  van de boven genoemde woorden op het spoor te komen. Een dergelijke moeilijke tekst boeit mij dan enorm.
Paulus verwijst in vers 27 naar woorden van de profeet Jesaja. We vinden deze in Jesaja 10: 20 – 23.
 
20. En het zal geschieden te dien dage dat het overblijfsel van Israel en de ontkomenen van het huis van Jakob niet meer steunen zullen op dien die het geslagen heeft, maar zij zullen steunen op de HEERE, de heilige Israëls, oprechtelijk.
21. Het overblijfsel zal wederkeren, het overblijfsel Jakobs tot de sterke God.
22. Want, ofschoon uw volk, o Israel, is gelijk het zand der zee, zo zal toch maar het overblijfsel daarvan wederkeren; de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid.
23. Want een verdelging die vastelijk besloten is, zal de Heere HEERE der heirscharen doen in het midden van het ganse land.
 
 Het valt bij het lezen van deze verzen ogenblikkelijk op dat er meerdere malen gesproken wordt over het overblijfsel van Israel. U weet dat de zoon van de profeet Jesaja de naam droeg: Schear Jaschub: een rest keert terug, of: een rest bekeert zich (Jesaja 7,3). In deze verzen gaat Jesaja op de profetische prediking  van deze naam nader in. De HEERE heeft aan Abraham beloofd dat Hij zijn zaad zeer zal vermenigvuldigen als de sterren des hemels en als het zand dat aan de oever der zee is (Gen.22, 17). De HEERE doet Zijn belofte gestand. Maar als het volk niet in gehoorzaamheid aan de Heere leeft, verbeurt het deze zegen.
We vernemen in de loop van de geschiedenis dat het volk Israel in plaats van op de HEERE te vertrouwen zich wendt tot wereldmachten om steun. In de dagen van koning Achaz was Assyrië een  geduchte wereldmacht. Tijdens de dreigende nood van een oorlog heeft Juda niet op de Heere, maar op Assyrië vertrouwt. Dwaas. Assyrië heeft Israel in ballingschap gevoerd en later is Juda naar Babel gevoerd. Assyrië zal door Gods oordeel getroffen worden. En hoe gaat het dan met Israel?
“En het zal geschieden te dien dage.” Dit is de dag van het oordeel over de aan God vijandige wereldmacht. Doch de HEERE zal in Zijn trouw en barmhartigheid aan Israel gedenken. Het overblijfsel van Israel zal terugkeren uit de ballingschap. Dat is de rest, dat zijn de ontkomenen van het huis van Jakob. Zij zullen zich bekeren tot de HEERE, de sterke God, de Heilige Israëls. Zij zullen niet meer steunen  op een wereldmacht, waardoor ze uiteindelijk geslagen zijn, maar zij zullen op de HEERE steunen. Een rijke belofte.
Doch dit woord van de HEERE heeft ook een keerzijde. Het gaat slechts om een overblijfsel dat zich tot de HEERE bekeert. Het overgrote deel van Israel blijft voortleven in ongeloof. Over hen is de verdelging vast besloten. Het ongehoorzame volk zal te maken krijgen met het onherroepelijke oordeel van de HEERE. Dat is overvloeiende van gerechtigheid. Als een stroom breekt Gods gerechtigheid door. De rechtvaardige vergelding over het ongelovige volk is vastbesloten. Maar het is ook een vrucht van Gods gerechtigheid dat een overblijfsel zich bekeert.
 
Paulus haalt in zijn betoog dit woord van Jesaja aan. “En Jesaja roept over Israel.” De profeet roept. Heel Israel moet dit horen opdat het zich bekeert tot de Heere. Jesaja is door deze boodschap hevig aangedaan en roept het uit. “Al ware het getal der kinderen Israëls gelijk het zand der zee, zo zal het overblijfsel behouden worden.” De HEERE heeft dat grote getal van het volk aan de aartsvaders beloofd. En? Hij houdt Zich aan Zijn woord. Maar we vernamen het al, dat Paulus zegt: “Want die zijn niet allen Israel die uit Israel zijn.” Een groot deel van Israel in de dagen van Paulus gaat aan de Heere Jezus in ongeloof voorbij. Slechts een rest zal behouden worden. Het overblijfsel dat in geloof de toevlucht tot Christus neemt. Het is door Gods genade dat een overblijfsel gered wordt.
Weer haalt Paulus een woord  van Jesaja aan. “Indien de HEERE Zebaoth ons geen zaad had overgelaten, zo waren wij als Sodom geworden en Gomorra gelijk gemaakt geweest. “(Zie Jesaja 1, 9 en 10). Door haar zonden is het volk gelijk geworden aan Sodom en Gomorra en zal het zelfde oordeel ondergaan. Maar door Gods genade zal niet het gehele volk ten ondergaan. Het zal toch ontelbaar zijn als het zand aan de zee doordat de HEERE een overblijfsel laat dat zich bekeert.
 
“Want Hij voleindt een zaak en snijdt ze af in gerechtigheid; want de Heere zal een afgesneden zaak  doen op de aarde.” Van deze tekst zijn twee lezingen, een korte en een langere. De korte lezing luidt als volgt: “Want de Heere zal een zaak/ een woord  doen op de aarde terwijl Hij het voleindt en afsnijdt.”  In plaats van “een zaak” kunnen we ook vertalen met “een woord”. Het woord van de Heere heeft twee zijden, het woord van belofte en van oordeel. Zijn rechtvaardig oordeel over het ongelovige volk en Zijn belofte die Hij verwerkelijkt aan de gelovigen onder Israel. We kunnen op het woord van belofte en van oordeel aan. De Heere voleindigt het woord , Hij brengt het tot zijn doel en Hij snijdt af met Zijn oordeel op heel de aarde. Hij voleindigt en snijdt af. Hij brengt het woord tot zijn doel. En:  Hij snijdt af, of ook wel: Hij verkort. Zonder uitstel volvoert Hij Zijn Woord. Je zou dit kunnen zeggen: De Heere doet Zijn woord gestand op de aarde, Hij volvoert het en doet het onverkort. Hij doet een afgesneden zaak op de aarde.
 
Raadplegen we de kanttekeningen van de Statenvertaling. Bij een zaak geeft de SV ook aan: een woord. Er worden twee opmerkingen gemaakt. “ Sommigen nemen dit voor een dreigement tegen de goddeloze Joden die God zou afsnijden en verwerpen, de zijnen nochtans er onder  altijd behoudende. Anderen nemen het voor het besluit of de standvastigheid van het besluit Gods in het behouden der zijnen, niettegenstaande de wederspannigheid van de meeste menigte der anderen.”
 
Bij de langere lezing komen er enkele woorden bij. “In gerechtigheid, want een  woord afgesneden.” Dat wil zoveel zeggen als: Want de Heere doet in gerechtigheid een afgesneden zaak op de aarde. Het is duidelijk dat de Statenvertaling de langere lezig heeft. We weten nu wat de uitdrukking: “een afgesneden zaak” betekent. De Heere volvoert Zijn woord van oordeel, onverkort, vastbesloten. Hij doet zulks in gerechtigheid. We kwamen dit al tegen bij de profeet Jesaja: “overvloeiende met gerechtigheid.” Onder de gerechtigheid Gods verstaan we dat de Heere doet wat Hij zegt, dat Hij Zich houdt aan Zijn verbond. Zowel in de belofte als in de bedreiging, in zegen als in vloek, in heil als in onheil. Zo kunnen we zowel spreken van Zijn  heilbrengende en verlossende gerechtigheid als van Zijn straffende en oordelende gerechtigheid. Het woord van God is niet uitgevallen. Hij toont Zijn straffende gerechtigheid over het ongeloof op de aarde en Zijn verlossende gerechtigheid over het geloof op de aarde. Zowel onder Israel als ook heden in de christelijke kerk.
Hoe is het mogelijk dat er sprake is van Gods heilbrengende gerechtigheid? In en door Christus die het volle oordeel heeft gedragen.
 
Zo zijn we aangekomen bij de boodschap van deze woorden voor u en mij. Wij mogen lid zijn van de christelijke kerk, dooplid of belijdend lid. We zijn christenen. Ongetwijfeld een groot voorrecht en een rijke zegen. Wat Paulus schreef van Israel geldt ook voor de kerk in onze dagen: “Want die zijn niet allen Israel die uit Israel zijn.” De gelovige Israëliet  is een  ware Israëliet. Een gelovige christen is een ware christen. “Die in de Zoon gelooft die heeft het eeuwige leven; maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op Hem”(Joh.3,36).
U mag een christen zijn naar de belijdenis, een trouwe kerkganger, misschien een strijder voor de waarheid, een ijveraar voor de geboden Gods, maar wat is dat alles zonder geloof? Wie het geloof mist, leeft buiten Christus en staat onder Gods oordeel. De Heere houdt Zich aan Zijn woord in een  afsnijdend oordeel. Zonder Christus kan niemand voor God bestaan. Maar wat een wonder, de Heere houdt Zich ook aan Zijn woord in Zijn belofte van genade in Christus. U kent de rijke betekenis van de kinderdoop. In de doop heeft de Heere Zijn belofte aan u en mij verzegeld. Wie door het geloof uit Gods belofte leert leven deelt in Zijn genade in Christus. Uit genade. U moet wellicht erkennen dat als de Heere met u moet doen  naar uw zonden u aan Sodom en Gomorra gelijk bent. Maar de HEERE Zebaoth heeft een zaad overgelaten. “Alzo is er dan ook in deze tegenwoordige tijd een overblijfsel geworden naar de verkiezing der genade. “ (Rom.11,5).
De Heere houdt Zich aan Zijn woord op deze aarde, onverkort zal Hij dat voltooien. Voor allen die blijven leven in ongeloof komt Zijn oordeel. Vastbesloten. Allen die in overgave des harten zich aan Christus toevertrouwen delen in het heil en eeuwig leven. Vastbesloten.  Gods Woord is niet uitgevallen.  U kunt op Zijn woord aan. Laat dat tot waarschuwing zijn voor allen die in ongeloof aan Gods belofte voorbij leven. Laat dit tot vertroosting zijn voor allen die de Heere vrezen in hun strijd des geloofs.
 
Laten we ten overvloede nog één maal naar de woorden terugkeren waarmee we ons bijzonder bezig houden. Want de Heere zal een afgesneden zaak doen op de aarde. Het is duidelijk dat we deze woorden dienen te verstaan vanuit de context. Ik meen dat deze woorden willen zeggen dat de Heere zich onverkort vasthoudt aan Zijn eigen woord. Hij zal dat voltooien op deze aarde. In Zijn oordeel over alle goddelozen die in ongeloof blijven leven. In Zijn  heil over allen die in geloofsgehoorzaamheid zich aan Hem overgeven. U kunt op Gods woord aan.