Wedergeboorte 1

Wedergeboorte 1
De noodzakelijkheid van de wedergeboorte 
"Jezus antwoordde en zei tot hem: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien."
Johannes 3: 3
Hij moet wassen, maar ik minder worden. Dit is een bekende en diepzinnige uitspraak van Johannes de Doper. Hij moet. Dit wil zoveel zeggen als dat dit aldus moet gebeuren naar Gods raad en wil. Ik moet terugtreden, volkomen en Hij, de Heere Jezus, moet toenemen. Het gaat immers om Hem alleen.
 

Nadat Johannes Jezus in de Jordaan gedoopt heeft, treedt hij nog ongeveer drie kwart jaar op. De Heere Jezus en Johannes verrichten een korte tijd gelijktijdig hun werk. In die tijd wijst Johannes op Jezus, zijn meerdere. Wanneer u de eerste hoofdstukken van dit evangelie leest zult u merken dat alles zich richt op Jezus.
Een aantal volgelingen van Johannes verlaat hem en voegt zich bij Jezus. Op de bruiloft te Kana verandert Jezus water in wijn. Hij openbaart Zijn heerlijkheid. Door Hem breekt de eeuwige bruiloft aan. Dan zal het ten volle klinken: Schept nu met vreugde water uit de fonteinen des heils. Wanneer Hij op het paasfeest Jeruzalem bezoekt, drijft Hij al het offervee dat verkocht wordt uit de tempel. Hij is Het Offer, Het Lam. De ijver van Gods huis zal Hem verteren. En dan volgt het gesprek met Nicodemus. Tijdens dat gesprek toont Hij dat men het koninkrijk van God alleen binnen kan gaan als men geboren is uit water en Geest. Johannes doopte met water, maar Jezus doopt met de Geest. De Geest zal in het leven van zondaren Christus verheerlijken.Wie in Hem gelooft heeft eeuwig leven.
Jezus verblijft dus met Zijn discipelen in Jeruzalem ter gelegenheid van het paasfeest. Velen, zo lezen we aan het slot van hoofdstuk 2, komen tot geloof in Zijn naam. Hun geloof is gebaseerd op de wonderen die Jezus deed. Er is één teken vermeld, dat van de tempelreiniging. Blijkbaar heeft Hij er veel meer gedaan. Zij maken een diepe indruk op de mensen. Jezus begint naam te maken. Hij moet een heel bijzonder mens zijn, van grote betekenis. Daar getuigen de tekenen van. Nicodemus blijkt ook diep onder de indruk te zijn van de tekenen die Hij heeft gedaan. Immers, zo zegt hij, kan niemand dergelijke tekenen doen als God niet met hem is. Al die wonderen geven als tekenen uiting aan Zijn heerlijkheid als de Messias. Velen geloven in Zijn naam. Ook in 1,12 lezen we van geloven in Zijn Naam. Wie in Zijn naam geloven heeft Hij macht gegeven kinderen Gods genaamd te worden. In Jeruzalem zijn er velen die hun vertrouwen in Hem stellen. Maar, staat er, Jezus betrouwde Zichzelf aan hen niet toe. Hij gaf hen Zijn vertrouwen niet. Hij stelt zich gereserveerd op. Achter dit geloof bij velen wordt een vraagteken gezet. Hij weet dat dit wondergeloof snel in afkeer en afwijzing kan omslaan. Er staat dat Hij hen allen kende. Hij kent de Jeruzalemmers en weet dat er fanatieke tegenstanders zijn. Daarom is Hij voorzichtig. Hij heeft bijzondere mensenkennis en is derhalve terughoudend. Hij weet wat er in de mens leeft. Hij doorgrondt het hart van de mens. Anderen behoeven Hem dat niet te vertellen. Toch is er één aan wie Hij zijn vertrouwen wel schenkt. Aan Nicodemus. Uit enkel genade. Hem gaat hij onderwijzen over het ingaan in het Koninkrijk Gods door wedergeboorte.   
In de week van dat paasfeest krijgt Jezus bezoek van Nicodemus. Deze behoort tot de orthodox-joodse partij, de Farizeeën. Hij is een overste der joden. Dat wil zeggen dat Hij lid is van het Sanhedrin. Eén van de prominente leiders van het volk dus. Volgens vers 10 is hij een leraar in Israël, een door het volk gerespecteerde Schriftgeleerde. Kortom,een man die er zijn mag. Een theoloog, een politicus uit een invloedrijke joodse familie. In deze feestdagen brengt hij Jezus in de nacht een bezoek. Hij toont daardoor zijn grote interesse in Hem. Hij zoekt de koelte van de nacht en wil ongestoord in de stilte van de nacht met Hem spreken. Ongetwijfeld zal hij met deze bijzondere rabbi willen spreken over een onderwerp dat hem na aan zijn hart ligt, het koninkrijk van God. Hij en anderen met hem kennen en bestuderen de thora en leven naar de geboden in gehoorzaamheid aan dat onderwijs om zo een gerechtigheid voor God op te bouwen en te kunnen ingaan in het koninkrijk van God.   
In Jeruzalem was Jezus door sommigen erkend als een door God gezonden leraar, iemand van wie evenals de profeten geldt dat God met hem is (Zie Hand.10:38). Anders zou deze rabbi nooit zulke dingen hebben kunnen doen. Nicodemus spreekt hem aan als een collega van wie hij nog wat kan leren. Hij begint met een verklaring af te leggen namens een bepaalde groep. Rabbi, wij weten dat U bent een leraar van God gekomen. Misschien behoort Nicodemus tot een groep Farizeeën die sympathiek staat tegenover Jezus.  Jezus is inderdaad een van God gezonden leraar en heeft voor Nicodemus een hemelse  boodschap. Nee, Nicodemus je gaat Gods koninkrijk niet binnen door eigen prestatie en gerechtigheid. Want die is er niet en die telt niet voor God. Voorwaar, voorwaar zeg Ik u. Amen, amen, ik verzeker u. We doen er dus goed aan op de volgende woorden te letten. Tenzij dat iemand wederom geboren wordt, hij kan het koninkrijk Gods niet zien. Wil iemand het koninkrijk van God binnengaan dan moet hem dat van de hemel gegeven worden. Jezus is een van God gezonden, een van God gekomen leraar. Zo moet een mens van God komen, van God geboren zijn. Een mens heeft van zichzelf niet het recht om het koninkrijk binnen te gaan. Hij moet wederom geboren worden. Er staat: van boven verwekt worden. Dat is uit de hemel verwekt worden.  Dat preekte Johannes de doper ook. Een geboren jood is niet automatisch een burger van Gods koninkrijk. Om te geloven is men van God afhankelijk. Alleen God zelf  brengt mensen die geloven voort. Jezus bedoelt dat God de verwekker is van het nieuwe leven. Dat nieuwe leven wordt gewerkt door de Heilige Geest. Er is aan de ene kant te zeggen dat de mens opgeroepen wordt te geloven en zich te bekeren. En tegelijk ook dat God het is die een mens tot geloof en bekering brengt.   
Tenzij iemand wedergeboren is. Dat is de ingang in het koninkrijk van God dat u een nieuw mens bent. Het koninkrijk van God zien betekent hetzelfde als ingaan in dat koninkrijk. Het koninkrijk van God is de alles en allen omvattende heerschappij van God. Eens zal dat koninkrijk er ten volle zijn. Nu u is het er in beginsel waar genade in het leven heerschappij voert. Het koninkrijk van God betekent het geestelijk leven dat in deze wereld door het geloof begonnen wordt en toeneemt overeenkomstig de gewone wasdom van het geloof. Niemand kan tot de kerk vergaderd worden om onder de kinderen van God te worden gerekend of hij moet eerst wederom geboren zijn. Dit geldt voor iedereen.  Jezus bedoelt met de wedergeboorte niet slechts de verbetering van een enkel deel, maar de totale vernieuwing van onze natuur. Waaruit volgt dat er in ons niets dan verkeerdheid is. Wij zijn immers onreine zondaren.  We lezen in de kanttekeningen van de SV dat de wedergeboorte is:  Door de Heilige Geest van de aangeboren verdorvenheid verlost en tot een nieuw geestelijk leven vernieuwd worden.  
Nicodemus houdt deze uitspraak voor onmogelijk. Moet hij helemaal in zijn leven opnieuw beginnen? Hij is toch al een heel stuk op weg. Een mens die al op leeftijd is kan toch weer niet in de moederschoot binnengaan om geboren te worden. Het geboorteproces is toch onherhaalbaar. Hoe bedoelt Jezus dat nu precies dat je van boven geboren moet worden? Kan hij ook andermaal in zijn moeders buik ingaan en geboren worden. Niemand kan toch zijn leven overdoen?!   Jezus herhaalt met andere woorden de hemelse en profetische uitspraak  Weer zegt Hij: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u. Iemand kan het koninkrijk van God niet binnengaan tenzij hij geboren wordt uit water en Geest. Want wat uit het vlees geboren is dat is vlees. Door onze natuurlijke geboorte uit onze ouders zijn we vlees, zondig en sterfelijk. Wij kunnen daar niet boven uitstijgen, niets aan veranderen. De mens is aan het aardse gebonden. Wat uit vlees geboren is. Uit moeders lichaam brengen wij niets mee dan een vleselijke aard. Zo volgt dan dat wij allen van nature ballingen zijn buiten het rijk van God en van het leven zijn verstoken. Wat uit het vlees geboren is dat is vlees. Wij zijn allen vanaf onze geboorte vleselijk. Door de ongehoorzaamheid van Adam zijn we allen tot zondaren gesteld geworden. We zijn in ongerechtigheid geboren en in zonden ontvangen.  Omdat de mens uit moeders lichaam alleen vleselijk geboren wordt, moet hij door de Geest vernieuwd worden.
Wat uit de Geest is geboren dat is geest. Er is dus ook een verticale geboorte uit de hemel. Daarbij gaat het om het onvergankelijk leven. Het is immers de Heilige Geest die een mens totaal vernieuwt. De Geest werkt het geloof en zo leert een mens meer en meer uit Christus te leven. De wedergeboorte is nodig, onmisbaar. Dat is het eerste. De volgende maal het tweede.