Meditatie Handelingen 8:29-31 (februari 2005)

Meditatie Handelingen  8 : 29-31

“En de Geest zei tot Filippus: Ga toe en voeg u  bij deze wagen. En Filippus liep toe en hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zei: Verstaat gij ook hetgeen gij leest? En hij zei: Hoe zou ik toch kunnen zo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus dat hij zou opkomen en bij hem zitten.”

Filippus en de kamerling

Gods leiding

 Inderdaad treffen we in deze geschiedenis op een overtuigende wijze de leiding des Heeren aan. Dwars door voor ons ogenschijnlijk toevallige gebeurtenissen zien we de hand des Heeren die alle dingen leidt naar Zijn raad. Geen ding geschiedt er ooit gewisser dan het hoogst bevel uit des Heeren mond. Het is voor ons gevoel toch wel heel toevallig dat Filippus en de kamerling elkaar op die woeste weg op dezelfde tijd en plaats ontmoeten. God leidt alles zo dat ze elkaar daar treffen. Het is ook wonderlijk dat de kamerling op het juiste moment water ziet zodat hij gedoopt kan worden. De Heere laat alle dingen medewerken ten goede. Hij wil deze heiden tot geloof in Christus brengen en gebruikt daarvoor de evangelist Filippus die naar deze weg wordt gestuurd. Hij bestuurt alle omstandigheden. Heilig zijn o God Uw wegen.

Vervolging

Na de steniging van Stefanus ontstond er een vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem zodat deze verstrooid werd. Hierdoor trokken de jonge christenen wel van de gemeente te Jeruzalem weg, maar waar zij kwamen konden zij van het evangelie niet zwijgen. Zij gingen. Als het ware traden zij in de verstrooiing op als verkondigers. Juist door de vervolging breidde het aantal gelovigen uit. De satan bereikt meestal het tegenovergestelde. De Bijbel vertelt ons dat Filippus, een van de zeven mannen uit Handelingen 6, hierdoor te Samaria kwam. Zijn arbeid was er zegenrijk. De verstrooiden hebben als getuigen het Woord op vele plaatsen gesproken en keerden weer terug naar Jeruzalem en verkondigden nog overal het woord des Heeren.

Profetische roeping

Ook Filippus ging uit Samaria weg. Doch de Heere heeft een bijzondere taak voor hem. Een engel van de Heere sprak tot hem: Sta op en ga heen. Dit is als het ware een profetische roeping. Zo kwam eens het woord des Heeren tot Elia bij de Krith: Maak u op en ga heen naar Sarfath, naar een weduwe. Of tot Jona: Maak u op en ga naar de grote stad Ninevé en preek tegen haar. Filippus moet gaan naar het zuiden en zich invoegen in een weg die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza. Dit zal zeker zowel de aandacht als de verwachting van Filippus gewekt hebben. Ongetwijfeld zal God daar een bijzonder werk voor hem hebben. Wat moet hij daar anders doen? Waarom moet hij anders een stad inruilen voor een eenzame, woeste weg? Filippus is gehoorzaam. Een dienstknecht van de Heere heeft maar te volgen. De Heere vraagt van ons allen gehoorzaamheid op Zijn woord. Opstaan en volgen. Hoe de weg ook is. Laat ons leven gestempeld zijn door gehoorzaamheid aan het woord van God.

Een moorman

Wanneer hij van zijn weg terzijde deze eenzame weg inloopt, treft hij een wagen aan. Zo leidt de Heere het. Op deze weg reist een man die van Jeruzalem komt en op weg is naar huis. Hij is een Moorman, een Ethiopiër. In de oude Griekse wereld had men bijzonder belangstelling voor Ethiopië. Men meende dat dit land lag aan de rand van de bewoonde wereld, het verst verwijderd. Deze heiden komt van zo ver weg. Hij is de eerste heiden die tot geloof zal komen. Hier gaat al in vervulling het programma dat we lezen in Handelingen 1,8. Gij zult Mijn getuigen zijn zo te Jeruzalem als in geheel Judea en Samaria en tot aan het uiterste einde der aarde. Eveneens gaan beloften van het OT in vervulling. Denk aan Psalm 68 : 32. Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte en Morenland zal zich haasten zijn handen tot God uit te strekken. Salomo bad in zijn gebed bij de inwijding van de tempel (1 Kon. 8,41vv.) over vreemden die niet van Uw volk Israel zijn en die zullen komen en bidden in dit huis.

Een kamerling

De man is een kamerling. We kunnen denken aan een eunuch, een ontmande. Eunuchen werden geplaatst over de vrouwen van een harem en hadden als vertrouweling een hoge positie aan het hof. We weten dat geen ontmande mocht komen in de vergadering des Heeren. (Deut. 23,1) Een ontmande heeft de natuur geschonden en de gemeente des Heeren moet heilig gehouden worden. Ontmanden hadden vooral ook een plaats in de heidense dienst aan afgoden. Zij werden dus buiten de eredienst gesloten. Toch lezen we ook in Jesaja 56,3 dat de gesnedene niet zegge: Ik ben een dorre boom. Ik zal hem ook in mijn huis een plaats en een naam geven beter dan der zonen en der dochteren. Gesnedenen die de Heere vrezen en zijn geboden houden. Door Gods genade ontvangen zij een naam in Zijn huis als zijn kind en mogen delen in het heil. Dit alles getuigt van Gods genade. Er is bij God genade voor zondaren, voor de grootste der zondaren. Laten we onvoorwaardelijk tot Hem de toevlucht nemen. We kunnen echter hier in het algemeen ook denken aan een kamerling. Er wordt niet speciaal gesproken van de ontmanning. Denk aan Potifar die zelfs getrouwd was.

Hij is een machtig heer in dienst van Kandacé, de koningin der Moren. We moeten haar gebied zoeken in het huidige Nubië in het noorden van Soedan. Hij is over al haar schat, een opperschatbewaarder, een beheerder der financiën. Aan de ene kant is het waar dat de kerk niet bestaat uit vele edelen en machtigen. Het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, maar toch gaat Hij ook de voornamen niet voorbij. Hij was in Jeruzalem geweest om de Heere aan te bidden. Hij was daar op het grote voorhof der heidenen om in het stof te buigen in aanbidding voor de Heere. Was hij een zogenaamde godvrezende die een pelgrimstocht heeft gemaakt? We lezen in Johannes 12,20 dat er ook Grieken kwamen op het feest om aan te bidden.

Voeg u bij deze wagen

Nu keerde hij terug en zat op zijn wagen en las de rol van Jesaja. Filippus kwam van zijn weg op deze woeste weg precies bij de wagen van de kamerling. En de Geest zei tot Filippus: Ga toe en voeg u bij deze wagen. Hij moet zich voegen bij deze heiden om hem te onderwijzen. Petrus zegt later tot Cornelius dat het een joods man niet geoorloofd is zich te voegen of te gaan tot een vreemdeling. Maar God heeft mij getoond dat ik geen mens onrein zou achten. (Hand. 10,28) Zo zien we voor ons gevoel dat toevallig Filippus deze kamerling ontmoet, maar de Bijbel laat ons de bijzondere leiding des Heeren zien. Filippus wordt geleid door een engel die hem toespreekt en door de Geest die hem leidt. God leidt het alles in zijn voorzienige leiding om mensen tot geloof te brengen.

Wellicht kent u dat in uw eigen leven dat u, vaak achteraf en soms ook door onbegrepen en moeilijke omstandigheden heen, duidelijk in verwondering de leiding des Heeren mag zien. Dat Hij u  weer terugbracht in de kerk en bij het Woord, dat Hij bepaalde mensen op uw weg bracht door wiens onderwijs u de Schrift dieper mocht leren verstaan. De weg die de Heere in uw leven ging om u bij Christus te brengen, maar ook om meer en rijker uit Hem te leren leven.

Gods woord 

Fillippus snelt naar de wagen toe, loopt langszij mee en hoort de man op de wagen lezen uit de profeet Jesaja. Die man zit met Gods woord in zijn handen en de Heere stuurt hem Fillippus om de schrift uit te leggen. Het boek Handelingen legt getuigenis af van het kerkvergaderend werk van de verhoogde Christus. Christus brengt zondaren toe tot zijn gemeente door Woord en Geest. Hij gebruikt daar mensen voor. Aan hen geeft Hij de bediening der verzoening. De Heere werkt door het ambt en de prediking van het Woord. Dat is de heilsorde, de orde, de weg waarlangs, de manier waarop het heil tot ons als zondaren komt. Hier is de bediening van het verbond. De prediking stelt ons daarom zo verantwoordelijk.

Fillippus vraagt hem: Verstaat u ook wat u leest. Hij gebruikt een prachtig woordspeling. Zoiets als: Verstaat u ook wat er staat? Die vraag mag ons allen wel gesteld worden. Immers een natuurlijk mens verstaat niet de dingen die des Geestes Gods zijn. De Geest wil het ons doen verstaan. Verstaan we wat we lezen? Verstaan we wat we in en door de prediking horen? Of lezen we eraan voorbij en er overheen? Of doen we wel de moeite om het te verstaan? De man antwoord: hoe zou ik kunnen zo mij niet iemand onderricht, de weg wijst? De Bijbel is klaar en helder wat de weg der zaligheid betreft en de mens kan dit verstaan door de leiding van de Geest. Toch wil de Heere dat we er onderwijs uit krijgen. Dat hebben we nodig. God leert door Woord en Geest. De kamerling bidt Fillippus op de wagen te stappen en bij hem te komen zitten.

Hij verkondigde Jezus

De plaats en de inhoud van de Schrift die hij leest, is Jesaja 53:7 en 8. Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid. En gelijk een lam stemmeloos is voor dien die hem scheert, alzo doet hij zijn mond niet open. In zijn vernedering is zijn oordeel weggenomen. En wie zal zijn geslacht verhalen? Want zijn leven wordt van de aarde weggenomen.  

De kamerling heeft over deze woorden nagedacht. Hij vraagt: van wie zegt de profeet dit, van zichzelf of van een ander. Men kan zich afvragen hoe deze tekst in die dagen gelezen werd. Heeft dit hoofdstuk betrekking op Israël of op een rechtvaardige of op de Messias? Zegt de profeet dit van zichzelf of van een ander? En Fillippus deed zijn mond open. Een uitdrukking die ook van de profeten word gebezigd. Hij doet een profetische uitspraak die op dezelfde hoogte staat als van Jesaja. Het gaat hier niet slechts om de woorden van Fillippus, maar om Gods woord. Beginnende bij die Schrift verkondigde hij Jezus.

Om dit te verstaan kunnen we denken aan wat we lezen in Lukas 24. De Heere Jezus gaf onderwijs aan de beide Emmaüsgangers. Hij zei tot hen over zichzelf: moest de Christus niet deze dingen lijden en alzo in zijn heerlijkheid ingaan? Hij toonde hen dat alles aan uit de Schriften. Hij opende de Schriften en liet zo het licht vallen over zijn lijden, sterven en opstanding. Zo deed hij dat ook bij zijn discipelen. Hij opende hun verstand opdat zij de Schriften verstonden. En Hij zei tot hen: alzo is er geschreven en alzo moest Christus lijden en van de doden opstaan ten derde dage. En in zijn naam gepredikt worden bekering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.

Ongetwijfeld zal Fillippus in navolging van Christus de Schrift opengelegd hebben en laat hij zien hoe dat alles is vervuld in Christus. Tegelijk laat hij zien dat de Schrift spreekt van bekering en vergeving der zonden.  

De Ander

Christus is het Lam dat zich gewillig liet leiden naar Golgotha. Hij deed zijn mond niet open. Hij zweeg in Gethsemané door gewillig de beker te nemen, voor Kajafas, voor Pilatus. Waarom? Uit liefde tot de Vader. Gewillig boog Hij onder de rechtvaardige toorn van God over de zonde der wereld die Hij op zich nam. Hij deed dat gewillig uit liefde tot zondaren. Dit was de enige weg om de zaligheid te verdienen. In de weg der vernedering heeft Hij zo volkomen betaald dat het gericht is weggenomen en dat de toorn van God is gestild. Hij is wel in het gericht geweest en in de helse benauwdheid. Wie zal zijn geslacht, zijn nakomelingen, allen die Hem geloven kunnen verhalen? Of ook wel: wie zal zijn leeftijd uitspreken. Nu leeft Hij immers eeuwig. Zijn leven wordt weggenomen van de aarde. Dat wijst op Zijn hemelvaart. Op de wagen die voort hobbelt, verkondigt Filippus Christus als het Lam Gods. Hij spreekt over de zonden en de vergeving der zonden in het bloed van Christus. Hier worden de Schriften geopend en het verstand geopend zodat de kamerling de woorden mag verstaan en geloven. Filippus mag op die wagen aan de kamerling uit het verre land De Ander verkondigen en oproepen tot geloof en bekering.

De doop en geloof

Intussen vervolgen zij de reis. De wagen rijdt verder. De Heere leidt het weer zodat ze bij water komen. De kamerling zegt: Zie water, wat verhindert mij gedoopt te worden? Hij wil zeggen: Er staat niets in de weg om mij te dopen. De kamerling begeert hartelijk om gedoopt te worden. Filippus zal ongetwijfeld in zijn onderwijs over de doop gesproken hebben. Petrus sprak op de pinksterdag: Bekeert u en een iegelijk van u worde gedoopt in de naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden. Filippus vraagt hem naar zijn geloof. Indien gij van ganser harte gelooft, is het geoorloofd, of ook wel, dan bent u gered. De doop is tot bezegeling van Gods belofte en ter versterking van het geloof. Bij een volwassene wordt geloof gevraagd. De kinderdoop wekt op tot geloof. De doop is alleen werkelijkheid in het geloof. Bij deze kamerling is belijdenis van zonden en geloof in Christus in wie de vergeving ligt en de levensvernieuwing. Ik geloof dat Jezus is de Christus de Zoon van God. Ik geloof in Hem, de Borg en Middelaar.

De kamerling neemt het initiatief en geeft bevel de wagen stil te zetten. Zij dalen beiden af in het water en Filippus doopt de kamerling. Zo mag deze heiden nu leven onder de heerschappij van Christus en Hem kennen als de Koning van zijn leven. Hij is in dat water langs de kant van de weg ondergedompeld en weer opgestaan. Gewassen in het bloed van Christus en opgestaan tot een nieuw leven. Inderdaad, de doop der bekering tot vergeving der zonden.

Verblijd

Uit het water gekomen, neemt de Geest Filippus weg. De kamerling merkt het niet eens. Hij heeft Filippus niet meer nodig. Hij reist zijn weg met vreugde, met blijdschap. Wij dan gerechtvaardigd door het geloof hebben vrede bij God door onze Heere Jezus Christus. De kamerling is vervuld met Jezus. Ziet hem alleen. En de vrucht van het geloof is blijdschap. Nu reis ik getroost onder het heiligend kruis, naar het erfgoed daarboven, naar het Vaderlijk huis. Verblijd in de Heere.

Bron: Kerkbode Kralingseveer februari 2005.