Meditatie Genesis 12:1-4 (december 1999)

“De HEERE had nu tot Abraham gezegd: Ga gij uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land dat Ik u wijzen zal. En Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen en uw naam groot maken en wees een zegen. En Ik zal zegenen die u zegenen en vervloeken die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. En Abraham toog heen. Gelijk de HEERE tot hem gesproken had en Lot toog met hem; en Abraham was vijf en zeventig jaar oud toen hij uit Haran ging”.

Genesis  12 : 1 – 4

De aan Abraham gegeven Adventsbelofte

Abraham is één van de meest bekende figuren uit het Oude Testament. Hij is de stamvader van het volk Israël. Hij is de vader der gelovigen. De vriend Gods. Hij leerde leven uit Gods beloften en zag uit naar de komst van het beloofde Vrouwenzaad. Op aarde was hij een vreemdeling, maar hij verwachtte de stad die fundamenten heeft.

Gods spreken

Het begon allemaal in het leven van Abraham met het spreken Gods tot hem. Ik bedoel dat aleer er sprake was van een geloofsleven bij Abraham, God tot hem sprak. Abraham kan alleen de vader der gelovigen genoemd worden omdat hij leefde uit Gods belofte en het Woord des Heeren tot Hem kwam. De HEERE nu had tot Abraham gezegd.

In de uiterlijke omstandigheden is er veel dat we niet weten. In de tekening daarvan is voor ons veel niet duidelijk. We lezen in vers 27 van het voorgaande hoofdstuk: En dit zijn de geboorten van Terah. Hier begint een nieuw gedeelte. In het volgende wordt beschreven hoe het gaat met het nageslacht van Terah en daarin bijzonder de geschiedenis van Abraham. God openbaart in het verloop van Terah’s geslacht Zijn heil.

De korte beschrijving in deze enkele verzen stelt voor veel vragen. Waar vond precies de roeping van Abram plaats? Was dit in Haran of nog in Ur der Chaldeeën? Hadden Terah en later Abram direct als reisdoel Kanaän voor ogen?

Want we lezen in 11:31 dat zij uit Ur der Chaldeeen togen om te gaan naar het land Kanaän. En ook in 12:5 dat zij togen naar het land Kanaän. Of is dit een conclusie achteraf dat ze tenslotte in Kanaän kwamen? Hoe staat het met de leeftijd van Terah?  Hij was 70 jaar toen Abram geboren werd. Abram was 75 toen hij uit Haran vertrok. Maar toen was Terah overleden en hij heeft volgens 11:32 de leeftijd van 205 bereikt. Waar zijn die zestig jaren verschil gebleven? Ondanks deze vragen is dit zeker dat de HEERE de eerste was en dat hij tot Abram sprak. Hij kwam door zijn genade plotseling in het leven van Abram met zijn woord van genade.

Na de zondvloed probeerde de mensheid bijeen te blijven en wilde in de toren van Babel zich een naam maken. Door deze blijvende herinnering wilde men zich ontworstelen aan de wreedheid van de dood. Na de verstrooiing leefde men meer en meer in zonde en afgoderij. Naar het woord van Paulus hielden de mensen de waarheid in ongerechtigheid ten onder. Ze hebben de heerlijkheid van de onverderfelijke God veranderd in de gelijkenis van een beeld. Ook het geslacht van Sem dreigt in de duisternis der zonde ten onder te gaan. God grijpt in. Hij heeft Abram verkoren. Hij roept Abram. Hij maakt Abram tot een groot volk om Hem te dienen en te vrezen.

Terah had drie zonen: Abram, Nahor en Haran. De laatste is nog bij het leven van Terah overleden. Straks word nog veel gehoord over zijn zoon Lot. Nahor trouwt met de dochter van zijn broer Haran, met Milka. Ook over hem vernemen we nog. Maar het gaat bij Gods Woord om Abram. Deze trouwt met zijn halfzuster Sarai. Heel expliciet staat er dat ze onvruchtbaar was en geen kind had. Een dorre, dode boom dus. Terah verlaat met de zijnen Ur en wil naar Kanaän, maar hij blijft wonen in Haran. In Hand. 7 lezen we dat de God de heerlijkheid onze vader Abraham verscheen in Ur. Eer hij woonde in Haran. Hij verliet toen het land der Chaldeeën en woonde in Haran en nadat zijn vader was gestorven bracht God hem over naar Kanaän. In Hand. 7 lezen van de roeping in Ur en in Gen. 12 van de roeping in Haran. De stad Ur ligt aan de benedenloop van de rivier de Eufraat en de stad Haran aan de bovenloop in de vlakte van een zijrivier van de Eufraat, de Balikh. Onder Gods voorzienige leiding was Terah uit Ur naar Haran vertrokken. Hij zal hier ziek geworden zijn en gestorven. Nu lezen we van de roeping van Abram. God spreekt daar met Zijn woord in het leven van Abram. Wat een wonder dat God daar met zijn Woord in het leven van Abram ingrijpt. Hoe zou dat gegaan zijn? Mogen we denken aan een Goddelijke verschijning? Zo dat God hem tegenwoordig was in een bepaalde zichtbare vorm van verschijning? Of is het zo dat de HEERE tot en in de ziel van Abraham sprak?

Genesis 1 begint ook met Gods spreken. Aan de schepping ligt het spreken van God ten grondslag. En God zei: Daar is licht. En er was licht. Heel de schepping is door het woord Gods tot stand gebracht. Door het woord des HEEREN zijn de hemelen gemaakt en door de Geest zijn monds al hun heir. De schepping is aan de zonde vervallen en onder Gods vloek gekomen. Meer en meer openbaart de mensheid de ongerechtigheid. Van de familie van Abram lezen we dat over  gene zijde der rivier hebben uw vaderen van ouds gewoond, nl Terah, de vader van Abram en van Nahor en zij hebben andere goden gediend. Toen Adam in de zonde viel, zocht God hem op en sprak Zijn woord van belofte der genade. God heeft Abram uitverkoren. Hij trekt Abram uit de zonde en afgodendienst en spreekt tot hem. Een woord van belofte en roeping. Een woord van louter evangelie (Gal.3:8 en9). In Zijn woord ontsluit God Zijn vaderhart van eeuwige liefde en openbaart Hij alle genade in Christus. Hij spreekt. En zo ontstaat de schepping. Hij spreekt. En zo ontstaat de herschepping.  Aan alle heil ligt Gods Woord ten grondslag. Het geloof vindt haar zekerheid in dat woord. De HEERE nu had tot Abram gezegd.

Let erop hoe God ons achterna wandelt met Zijn woord We mogen Zijn woord in onze huizen hebben. We kunnen het lezen en onderzoeken. Door Zijn woord spreekt Hij zondaren aan en komt Hij met Zijn evangelie, Zijn heil in Christus. We mogen de prediking hebben op zondag en door de week. Het is ongetwijfeld heel aangrijpend om aan dat woord van lokking en nodiging tot Zijn genade en verlossende liefde voorbij te leven en te doen alsof God niet spreekt. De zaligheid van de kerk is: Hij spreekt gewis tot elk die voor Hem leeft. Geloven is Gods spreken vertrouwen en be-amen. Er is nog iets. De schepping ontstond uit niets door Gods spreken. Sarai was onvruchtbaar. God spreekt dat Abram tot een groot volk zal worden. De oorzaak der zaligheid ligt alleen in God. Laten we bidden om de bediening van de Heilige Geest.

God roept

De HEERE roept Abram weg. Heel persoonlijk. Gij. Gij voor u. Ga uit uw land. Hij moet de streek waarin hij woont, verlaten. Zo moet hij treden buiten de veiligheid van de woonplaats en onder de afgoden weggaan. En uit uw maagschap.  Abram moet breken met de brede kring van zijn familie. Dat betekent heel wat, want een oosterling is zeer gehecht aan zijn familie. En uit uw vaders huis. Hij moet zelfs de vertrouwde warmte van het ouderlijk huis verlaten. Zo wordt hij als een balling overal uit losgepeld. Ga naar het land dat ik u wijzen zal. Zo moet Abram radicaal breken met heel het oude leven. Alle banden losmaken en de HEERE volgen. De HEERE plaatst Abram alleen. Zodat uit hem een volk groeit dat ook alleen moet wonen. Binnen deze kring wil de HEERE Zijn verbond, dienst en woorden bewaren. Abram wordt een balling. Hij gaat verwachten de stad die fundamenten heeft. Getrokken uit deze boze tegenwoordige wereld en gebracht tot het licht Zijner genade.

In dit woord tot Abram gesproken komt God ook tot ons, tot u en mij. God roept ons allen door Zijn woord uit de zonde tot Zijn gemeenschap. Dit behelst een radicale breuk. We moeten geheel losgemaakt van deze wereld, de knellende slavernij van de zonde en de satan, van het vertrouwen op onszelf. Gaan we uit? Het doopformulier spreekt van de wereld verzaken, de oude natuur doden. Gods woord roept op om niet aan deze wereld gelijkvormig te worden. Roept ons op om te sterven aan alle vleselijke begeerten en hoogmoed. Dat is om je eigen leven te verliezen. Dat is de ene kant van de bekering. Nu kunnen er twee zaken gebeuren. Of we gaan aan de welmenende hartelijke roeping Gods voorbij en zijn ongehoorzaam. Dan gaan we door eigen schuld verloren. Of we mogen aan de roeping gehoorzaam zijn. Dat is louter genade. De HEERE roept de Zijnen door Zijn Geest krachtdadig en onwederstandelijk. Als we als Abram in gehoorzaamheid uitgaan, worden we als vrucht van Gods roeping op aarde een balling, een vreemdeling. Zo gaan we uit om verlangend uit te zien naar de nieuwe aarde, waar God zal zijn alles en in allen.

God belooft

De HEERE roept Abram om radicaal met het oude leven te breken en alleen de Heere te volgen. De HEERE komt tot hem met een heerlijke belofte. Met Zijn evangelie. Hij luidt om het zo te zeggen de adventsklokken. Ik zal u tot een groot volk maken. En u zegenen. En uw naam groot maken. En wees een zegen. En Ik zal zegenen die u zegenen en vervloeken die u vloekt. En in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.

Wat opvalt is het rijke spreken over zegenen. Tot vijf keer toe. Die zegen is dat Abram nu nog zonder kinderen, tot een groot volk zal vermenigvuldigen. De torenbouwers van Babel wilden voor zich een naam maken. Ik, zegt de HEERE zal uw naam groot maken. Van Abram zal een grote naam uitgaan vanwege alle heil die de vloek der zonde wegneemt. Deze zegen is heil, verlossing, zaligheid, gemeenschap met God, eeuwig leven. Abram word aan God gebonden en mag leven in zijn gemeenschap. Wees een zegen. Dat wil zeggen dat Abram enkel zegen is. Heel zijn leven is een leven uit die zegenvolle genade. De houding van de mensen tegenover Abram word bepaald tot de God van Abram. Die Abram vervloekt keert zich van de God van Abram af en zal daarom geen deel hebben aan die zegen. Die Abram zegent de God van Abram en zal delen in de zegen. God beschermt dus de Zijnen.

Hoe dat alles kan en mogelijk is? De HEERE zegt: In u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden. God verkiest Abram. Zet hem apart zodat uiteindelijk heel de wereld in Gods zegen mag delen. In u. we weten dat hier aan Abram beloofd wordt dat uit hem de Christus geboren zal worden. Zie de toespraak van Petrus in de tempel in Hand.3. in de verzen 25 en 26 staat: Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft zeggende tot Abram: en in uw Zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden. God opgewekt hebbende Zijn kind Jezus, heeft dezelve eerst tot u gezonden dat Hij ulieden zegenen zou. Daarin dat hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden.

En we lezen in Gal.3:16 uitdrukkelijk dat met het zaad Christus word bedoeld. Nu zo zijn de beloftenissen tot Abraham en het zaad gesproken. Hij zegt niet: en den zaden,  als van velen, maar van een: en Uw zaad, hetwelk is Christus.

Abram deelt in de Goddelijke zegen in en door Christus. Want Christus is als een Borg en Middelaar tot een vloek geworden om zondaren te zegenen. Straks trekt God ook heidenen uit alle delen van de aarde en door het geloof in die Christus zullen ook zij gerechtvaardigd worden. De vervulling is bij Pinksteren. Uit heel de bewoonde wereld horen zij de grote werken Gods verkondigen.

Zo ziet Abraham uit naar de komst van Christus in wie alle heil ligt. In Hem is mijn naam groot. In Hem is de vloek weggenomen. In Hem is alle heil en zaligheid.

Abram gehoorzaamt

God spreekt. God roept. God belooft. God komt met Zijn evangelie. En Abram gelooft het woord des Heeren in gehoorzaamheid. Door het geloof omhelst hij Gods spreken. En Abram toog heen, gelijk de HEERE tot hem gesproken had. Abram gaat. Wat een wonder. Zoals God tot hem gesproken heeft, zo gaat Abram. Onvoorwaardelijk. Abram en Sarai en Lot, zijn neef, Abram is 75 jaar oud als hij uit Haran wegtrekt in geloofsgehoorzaamheid.

In Haran heeft Abram vermeerderd have en knechten. Hij heeft er veel bezittingen verworven. Alles neemt hij mee. Zo gaat hij op reis naar Kanaän. Daar gekomen trekt hij het land door. Hij komt te Sichem. Aldaar verschijnt de HEERE hem. Bij Sichem is een cultusplaats voor de afgoden. Er staat een waarzeggersterebint.  De Kanaänieten wonen er. Alles ademt puur heidendom. En? Zo verscheen de HEERE aan Abram en zei: Uw zaad zal ik in dit land geven. Abram bouwt een altaar voor de HEERE en roept de naam des HEEREN aan. Hij gelooft Gods belofte. Hij dient en vreest de HEERE, hij belijdt eigen zonden. Hij aanbidt de Heere en vindt alle zegen alleen in hem.

De Heere Jezus sprak tot de joden van Zijn dagen dat de Schriften van Hem getuigen. Bij Schriften denken we aan het Oude Testament, dus vooral ook de vijf boeken van Mozes, ook in Genesis. In de Schriften getuigt God van Christus. In deze roeping van Abram komt God tot hem met Zijn belofte van de komende Christus in Wie alle zegen en heil ligt. In deze adventsweken staan we stil bij de aangaande de komende Christus. Op Kerst mogen we horen dat Hij gekomen is in de volheid des tijds, geworden uit een vrouw geworden onder de wet. In Christus ligt de zegen. Want Hij kwam om te lijden en te sterven voor onze zonden plaatsbekledend en betalend.

Dat evangeliewoord gaat uit. Gods Woord leert ons dat in ons de vloek ligt vanwege de zonde. En dat in Christus de zegen is. Want Hij is tot een vloek geworden om de vloek weg te nemen. Wie mag in deze zegen delen? Die gelovig het woord der roeping en genade mag omhelzen. Die in zijn leven openbaart de wegen van geloof en bekering. Dat geloof wordt gewerkt door de Heilige Geest. Laten we als Abram het altaar oprichten en daar onze zonde belijden. Ik heb gezondigd en gedaan wat kwaad is in Uw ogen. Om bij dat altaar alle zegen te zoeken en te vinden in Christus.

Gezegend zij onze God en Vader Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemel in Christus.  

Bron: Kerkbode Kralingse Veer. December 1999.