Meditatie 1 Samuël 1:26b-28a (november 1993)

Een biddende moeder.

“Ik ben de vrouw die hier bij u stond om de HEERE te bidden, ik bad om dit kind en de HEERE heeft mij mijn bede gegeven, die ik van hem gebeden had. Daarom heb ik hem ook de HEERE overgegeven al de dagen die hij wezen zal; hij is van de HEERE gebeden.”

                                                                    1 Samuël 1: 26b, 27 en 28a.

We zien daar Hanna staan. Zij is een beminde, een getergde en geplaagde, een gelovige en een biddende vrouw.

Zij is bemind van haar man. Dit is voor een vrouw een grote weelde. Wel ligt alles onder de zonde. Ook het huwelijk. Wat blijkt dit in het gezinsleven  van Elkana. Hij heeft twee vrouwen, met al de gevolgen van dien, doch Hanna mag delen in de volle liefde van haar man. Alhoewel zijn goed bedoelde troost in haar verdriet wel wat onbeholpen is. Hij troost de bedroefde Hanna door te zeggen dat hij haar toch beter is dan tien zonen.

Er is geen roos zonder doornen. Door de nevenvrouw Peninna word zij zeer geplaagd en getergd. En dat geschiedt juist bij het heiligdom. Daar wordt de offermaaltijd gehouden als een beeld van de door de verzoening ervaren gemeenschap met de HEERE en zo ook met elkaar. Maar altijd is de satan in de weer juist dat goddelijke werk te verstoren. Wat een hoogtepunt zou moeten zijn, wordt voor Hanna een verschrikking.

Ze is ook een gelovige, de HEERE vrezende vrouw. Het is deze Godvrezende vrouw in alles om de HEERE te doen. In al haar verdriet bidt zij tot de HEERE. Ze legt ook een gelofte af. Wanneer de HEERE haar gebed zou verhoren komt Hem de dank toe. Hanna’s smart is dat zij kinderloos is. Naast het gewone verdriet voor de kinderloze vrouw speelt hier mee de gedachte dat geen nageslacht van haar mag delen in de zegen van het komende rijk van de Messias. Maar er is nog meer. Hanna wenst een kind, een zoon om hem af te staan aan de dienst van de HEERE. Het gaat haar om de eer van de HEERE. Zij wil een kind, een zoon, maar zo, dat door haar kind Gods eer mag worden verheerlijkt.

Wanneer Hanna in het heiligdom te Silo lang en geluidloos bidt, terwijl zij toch haar lippen roert, verklaart Eli haar voor dronken. Zij zet dit recht. Dan verandert Eli. Hij mag nog een keer echt ambtsdrager zijn. Hij zegent haar ambtelijk met vrede. Ga heen in vrede. Altijd weer een hoogtepunt in de eredienst als de gemeente mag staan onder de zegen des HEEREN, die ambtelijk op haar gelegd wordt, groot als dit met een gelovig hart gehoord en ervaren mag worden. Vrede. We denken aan de woorden van de Psalm: Bidt voor de vrede van Jeruzalem. We lezen in het N.T. dat Christus onze vrede is. Door Christus mag een verloren en vijandige zondaar vrede met God ervaren. Het gaat bij deze vrede om het wezenlijke welzijn. Dat is hier in dit leven nog maar alles ten dele. Straks volgt de volle vrede.

Eli troost haar ook door de Geest der profetie. De God Israëls zal uw bede geven die gij van hem gebeden hebt. Eli kent de inhoud der bede niet. Behoeft hij ook niet te weten. Maar hij mag deze diepbedroefde vrouw troosten met de woorden dat God haar de bede geven zal. We zien hier de kracht van het woord als troost en medicijn voor de bedrukte en bedroefde geest. Hanna is geheel andere vrouw hierdoor. De last is weg. Deze heeft ze aan de HEERE overgegeven. Ze eet weer en straalt blijdschap uit. Maar het vrome volk in U verheugd, zal huppelen van zielevreugd.

Nu komt alles in beweging. Het gezin keert naar Rama terug. Nu was daar het Woord Gods dat de bede om een zoon verhoord was. Toch bewandelt Elkana de middellijke weg. Hij bekende zijn huisvrouw Hanna.  Maar daarbij is hij volkomen van God afhankelijk. En de HEERE gedacht aan haar. Zo dienen we de weg der middelen te bewandelen. Maar de HEERE gedenkt aan zondaren uit enkel genade. En dat ligt vast in Zijn beloftewoord. Zie, hoe groot wanneer de HEERE ons gedenkt. De moordenaar aan het kruis vroeg: Gedenk mijner. De psalmdichter zingt: Hij heeft gedacht aan Zijn genade, Zijn trouw aan Israël nooit gekrenkt.  

De zaligheid is geen zaak van beneden naar Boven, maar omgekeerd. God heeft gedachten van vrede in Christus uit soevereine liefde over verloren zondaren. Het is het wonder om begrepen te zijn in die Goddelijke gedachten. Onze gedachten zijn van nature vervuld met alles van deze wereld en met de zonde,  maar niet vol van God. Maar God heeft gedachten ten goede over zondaren. Zo komt Hem de dank toe en zullen onze gedachten door Zijn genade geheiligd worden.   

Hanna werd bevrucht en baarde een zoon en zij noemde zijn naam Samuel, want ik heb hem van de HEERE gebeden. Samuel betekent zoveel als: Door Goddelijke verhoring geschonken. Het leven van Hanna kan getypeerd worden als een biddend leven. Ik denk dat een christen daaraan te herkennen is. Het gebed is wel genoemd de ademtocht der ziel. Als het gebedsleven slordig wordt, komt het geestelijk leven op een laag pitje te staan. De HEERE zegt tot Ananias ten aanzien van Paulus: Zie, hij bidt. Hoe staat het met de beoefening van het gebedsleven? Laten we de HEERE voor alles aanlopen. Maar wel zo, dat we tot Hem komen in de verootmoediging en we in het gebed Zijn eigen Woord naar voren schuiven om daarmee bezig te zijn en daarop te pleiten. Bidden is ons onderwerpen aan het Woord en de wil des HEEREN. De enige grond van het gebed is alleen het bloed van Christus. We werpen onze gebeden voor de HEERE niet neer op onze gerechtigheden.

En wanneer Hanna haar zoon deze schone naam mee geeft, wil zij daardoor uitdrukken dat de HEERE hoort naar het bidden der Zijnen en dat Hij uit enkel genade ook wil verhoren. Zo zegt zij tegen Eli wanneer ze later het kind naar Silo brengt: Ik bad om dit kind en de HEERE heeft mijn bede gegeven die ik van Hem gebeden heb.

Wanneer Elkana te kennen geeft met zijn gezin op te willen trekken naar het heiligdom gaat Hanna niet mee. Zij wil bij het heiligdom niet met lege handen komen. Pas als Samuel gespeend is en dus een kind van drie of vier jaar is, zal ze gaan. Zij wil dit van de HEERE afgebeden kind naar haar eigen gegeven belofte aan de HEERE terug geven. Elkana als een goede huisvader keurt dit goed en zegt tot haar: De HEERE bevestige naar Zijn Woord. Hij bedoelt het door Eli gesproken woord des HEEREN dat de bede door de HEERE verhoord  zal worden. Want ja, er kan van alles tussen komen. Nu heeft Hanna wel beloofd als er een zoon zal geboren worden, dat ze deze aan de HEERE zal wijden. Maar stel dat Samuel sterft. Of dat hij opgroeit als een goddeloze jongen die niet naar het heiligdom wil. Of dat moeder Hanna later spijt krijgt van de gelofte en zij de knaap thuis wil houden. Dar kan allemaal gebeuren. En wij zijn zondige mensen. Wat is ons woord vaak van weinig waarde. De HEERE make Zijn woord vast, zo zegt Elkana. We zijn immers in alles van Hem afhankelijk. Hij heeft Zijn belofte en naar Zijn genade volvoert Hij Zijn belofte. Gedenk aan het Woord gesproken tot Uw knecht, waarop Gij mij verwachting hebt gegeven.

Op een dag wordt het kind gespeend. Dat wil zeggen dat de moedermelk ontnomen wordt. De moeder zoogt het kind niet meer. Samuel heeft nu de leeftijd van ongeveer drie of vier jaar. Hanna en Elkana brengen hem samen weg naar de gelofte van de moeder. Een gelofte afleggen voor de HEERE is wel een vrijwillig offer, maar wie zijn eenmaal afgelegde gelofte niet betaalt is een kwaad. Het is immers een aan de HEERE gedane gelofte en de HEERE woont in de hemel en wij op de aarde. Laten we de dank niet vergeten. De catechismus spreekt ten aanzien van het geestelijk leven over drie stukken. Maar het loopt wel uit op de dankbaarheid.

Als dank wordt er een groot offer gebracht. Drie varren en een efa meel en een fles of kruik wijn. Het offer bestaat dus uit drie jonge stieren. En daarnaast een spijs- en drankoffer. Zo heeft de HEERE dat alrede in de woestijn bevolen. We kunnen het lezen in Numeri 15. Het volk Israel bedreef veeteelt en landbouw. Welnu, door het brengen van deze offers wil de offeraar zeggen dat hij zichzelf en zijn werk en de vruchten van zijn arbeid geheel aan de HEERE wijdt. Een rijke gedachte. We lopen het gevaar ons leven in stukken te knippen, voor de HEERE wat en voor onszelf en de wereld wat. Dit offer wil uitdrukking geven aan de roeping zich met zijn gehele persoon en arbeid aan de HEERE te wijden. Hier is sprake van een totaal op de HEERE en Zijn dienst gericht leven. Ten volle heeft Christus dit alleen vervuld. En wanneer we door het geloof leven uit Christus zal dit geloof gestalte krijgen door de levensvernieuwing.

Hanna zoekt de hogepriester op. En we lezen nu die woorden die ze tot Eli spreekt. Wanneer we dat aandachtig doen valt het op dat ze tot vier keer toe de naam HEERE noemt.

Ik stond bij u om de HEERE te bidden. Ik heb om een kind gebeden en de HEERE heeft mij het gebed gegeven. Ik heb het kind aan de HEERE overgegeven. Hij is van de HEERE gebeden.

Dit is eigenlijk de gouden draad die door dit gehele hoofdstuk loopt. Een moeder die al haar verdriet in het gebed voor de HEERE neerlegt. Een vrouw die in het geloof worstelt voor het aangezicht des HEEREN. Een vrouw die een kind van de HEERE vraagt opdat dat kind zijn gehele leven mag sluiten in de dienst van de HEERE. Een vrouw die in alles de eer van de HEERE zoekt. In het leven van Hanna staat de HEERE centraal. Zijn Naam is HEERE, Jahweh. Ik ben Die Ik ben. Ik ben de eeuwige, de onveranderlijke. Ik laat niet varen de werken Mijner handen. Ik ben de getrouwe. En Ik ben er verlossend, zaligend en helpend in al uw nood en moeite in Mijn liefde en ontferming. Het blijkt dat deze Hanna de HEERE kent. Ze zoekt Zijn gemeenschap. Ze leeft uit Hem en zoekt Zijn eer. Door genade wil ze Hem liefhebben boven alles. Haar leven is vervuld van de HEERE.

We mogen en moeten de vraag hier stellen hoe dat met ons is. Laten we ons maar eerlijk doorzoeken of het ons werkelijk om de HEERE te doen is. Aan God heb ik eeuwig genoeg en van God heb ik nooit genoeg. En die de HEERE verwachten zullen nooit beschaamd uitkomen. HEERE, wij hebben U lief, omdat Gij ons eerst hebt liefgehad. Dit alles is geen vrucht van het zondige bestaan van Hanna. Hier werkt het geloof dat de wereld overwint. Zo staat ze gewillig en met vreugde haar kind af voor de dienst van de HEERE. Laten we als ouders ons maar afvragen of wij onze kinderen voor de wereld of voor de HEERE opvoeden. Hanna zegt tot Eli: Ik ben die vrouw, die hier bij u stond om de HEERE te bidden. De HEERE heeft mijn gebed verhoord. Hem komt alle dank toe.

Zegt u het na: Ik ben die vrouw, die man, dat meisje en die jongen die hier staat om de HEERE te bidden?

Bron:  Kerkbode Kralingseveer,  november 1993.