Meditatie Hebreeën 11:1 (oktober 2004)

Geloof en hoop

“het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken die men niet ziet.”

                                                                                                                         Hebreeën 11: 1

Omschrijving 

Geloof doet een zondig mensenkind leven uit Gods belofte. Geloof doet hem zien op en alles verwachten van het grote geloofsvoorwerp, de Heere Jezus. Daarom ga ik er vanuit dat u allen het met mij eens bent dat het geloof een hoogst belangrijke zaak in het leven is. Het is immers zonder geloof onmogelijk om God te behagen.

Het elfde hoofdstuk uit de Hebreeën is een van de bekendste van de Bijbel. In dit hoofdstuk doet de HEERE ons veel van het OT nader verstaan en laat Hij tegelijk zien de kracht van het geloof in het dagelijks leven van hen die de HEERE vrezen. Zij die in dit hoofdstuk genoemd worden vermochten veel door het geloof.

Dit bekende hoofdstuk over een wolk der getuigen rondom ons op de loopbaan begint met een omschrijving van het geloof. We verwachten daarin niet zozeer een sluitende en heldere definitie, zoals we deze bijvoorbeeld tegenkomen in zondag 7 van de Heidelberger Catechismus. Wel laat deze omschrijving iets zien van de kracht van het geloof in bepaalde omstandigheden. Het gaat namelijk over dingen die men hoopt en niet kan zien. Kunnen we van die zaken wel zeker zijn? Ja, door het geloof. Het geloof is van onschatbare waarde. Wie dat geloof mist, mist eigenlijk alles. Het geloof plaats ons immers in een vertrouwensrelatie tot de Heere. Dat geloof verenigt een zondaar met Christus en doet uit hem leven. Dat geloof wil de HEERE werken door de prediking in de kracht van de geest en versterken, voeden, doen opbloeien door het gebruik van de sacramenten.

Volharden

Uit de praktijk van ons leven weten we allemaal wel dat volharden een moeilijke, maar wel noodzakelijke bezigheid is. Want ergens aan beginnen is een zaak. Volhouden is een andere zaak. Veel mensen beginnen enthousiast aan een bepaalde zaak, maar langzamerhand bekoelt het vuur wat en tenslotte laat men de zaak geheel liggen. Wie volharden zal tot het einde bereikt uiteindelijk zijn doel. Dit betreft de zaken van het leven van elke dag, maar bijzonder toch wel van het leven des geloofs. Met dit op te merken is de nood van de Hebreeën aangegeven. Bij de eerste lezers van de brief denken we aan Christenen van de tweede generatie. De gemeente is langer gevestigd. Het vuur van het geloof brandde, maar al spoedig treedt er een inzinking in. Het geloofsleven verslapt, men bezoekt de bijeenkomsten niet meer trouw, men raakt achter en anderen dreigen geheel van het geloof te vervallen. Helaas is dit een actueel verschijnsel. Tastbaar in het kerkelijk leven rondom ons heen.

Opwekkingen

Door de hele brief heen klinkt een toon van vermaning om toch vooral bij het geloof te blijven. Het is goed om erop te wijzen dat het geloof twee kanten kent. Om het eenvoudig te zeggen: wat ik geloof en dat ik geloof. Laten we door het geloven volhardend vasthouden aan de geloofsinhoud. “Zie toe, broeders dat niet te eniger tijd, in iemand van u een boos ongelovig hart zij om af te wijken van de levende God”(3,12). De schrijver wekt zijn lezers steeds maar weer op tot standvastigheid. Immers, Christus komt terug. Stel je nu eens voor dat velen van het geloof zijn vervallen. Hoe moet het dan op de dag van de wederkomst als we voor de rechterstoel des Heeren hebben te verschijnen?

In hoofdstuk 10 lezen we allerlei opwekkingen. Laat ons toch toegaan met een waarachtig hart. (vers 22) Laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop toch vasthouden. (vers 23) laat ons op elkaar acht nemen. (vers 24) laat ons de onderlinge bijeenkomsten niet nalaten. (vers 25) jullie weten toch dat de dag nadert? Jullie hebben de kennis der waarheid ontvangen. En als jullie nu toch willens zondigen? Dan wacht een schrikkelijk oordeel. Hoeveel te zwaarder straf zal hij waardig geacht worden die de zoon van God vertreden heeft, het bloed van het testament onrein heeft geacht. (vers 29)

Denk aan de vorige dagen waarin gij verlicht zijt geweest.(vers 32) Werpt dan uw vrijmoedigheid niet weg. (vers 35) Er is toch de vrijmoedigheid, het genaderecht, om door het bloed van Christus toe te gaan, tot God te naderen. Jullie hebben lijdzaamheid, dat is volharding, nodig. Blijf toch bij het geloof. Want Christus komt terug. Het staat er met een korte, krachtige bewoording vanuit de OTische profeten. Jesaja 26 : 20 en Habakuk 2 : 3 worden aangehaald. Nog een zeer weinig tijds. Hij die te komen staat, zal komen en niet vertoeven. (vers 37) Hoe zal het gaan zonder geloof op die grote dag? Hoe moet het op die dag met u en met mij gaan zonder de reiniging door het bloed van Christus? Zonder het je van harte toevertrouwen aan Christus en aan genade?

Geloof of ongeloof

Het is zeker waar. Dit is de kernboodschap van de Schrift. De rechtvaardige zal uit het geloof leven. Wie is rechtvaardig voor God? Alleen de zondaar die gelooft en weet wat het is om zich geheel aan Christus toe te vertrouwen. De gelovige zal leven, eeuwig leven. Maar als iemand zich onttrekt, zich geheel terugtrekt van het geloof en van de waarheid van Gods Woord? Die dus niet toegaat met vrijmoedigheid tot de HEERE door het bloed van Christus? Wanneer dus het geloof ontbreekt? De Heere zegt: Mijn ziel heeft in hem geen welbehagen. Dat is ontzaglijk. Niet te delen in Gods welbehagen, in zijn gunst en eeuwige liefde. Dan sta je helemaal voor eigen rekening. Maar, zegt de schrijver, wij zijn niet van hem die zich onttrekken. Dat leidt tot eeuwig verderf. Wij zijn van hen die geloven en alles van Christus verwachten. Dat leidt tot het behoud van de ziel.

Onmisbaar

Wat wil de schrijver van de Hebreeën zijn eerste lezers en ook ons voorhouden? Dat het geloof onmisbaar is. Onmisbaar met het oog op het dagelijks leven. Onmisbaar met het oog op de grote dag van de wederkomst van Christus. Ja, het geloof is van het allergrootste belang in het leven van elk onzer. Hoe maakt u het anders op de dag van het oordeel? Gods Woord komt tot ons in de rijkdom van Gods beloften. Gods Woord wil geloofd worden. Acht toch het bloed van het verbond niet onrein en wil toch de Zoon van God niet vertreden. De Heilige Geest wil dat geloof werken door het Woord. Hij wil het ook sterken door de sacramenten. Van tijd tot tijd staat in e gemeente de Tafel des HEEREN aangericht. Voor wie? Voor zijn gelovigen. Van de Tafel gaat een oproep tot zelfonderzoek uit. Onderzoek u dan wel nauw of u in het geloof bent. Het formulier om het heilig Avondmaal te houden wijst op de zelfbeproeving om tot troost des HEEREN avondmaal te kunnen vieren. Een zelfbeproeving aangaande de drie bekende stukken. Die van ellende, verlossing en dankbaarheid. Drie stukken die in de geloofspraktijk bijeen horen als de drie aspecten van het geloofsleven.

Dingen die men hoopt

Van dat geloof nu wordt gezegd dat het een vaste grond is van de dingen die men hoopt. Dingen die men hoopt. Wat is een leven in deze wereld zonder hoop, zonder uitzicht, zonder dat men over de zorgen en moeiten van elke dag kan heen zien. Iemand die hoopt is niet zonder uitzicht. Zonder hoop kan men niet leven. Zonder hoop valt de nacht en is het volkomen duister. Elk mens snakt naar een beetje moed, wat hoop om toch weer verder te kunnen leven, al is het maar een strompelend verder gaan. Men ontleent die hoop aan dingen van deze wereld, aan mensen om zich heen. Eén dezer dagen is een bekende volkszanger overleden. Hij is overleden ten gevolge van zijn extravagante levenswijze. Hij was verslingerd aan roken, drank en vrouwen. Velen van ons Nederlandse volk zijn door zijn plotselinge sterven hevig aangedaan. Hij troostte ons, zeggen zij, door zijn liedjes. Ik vraag u: Hoe kan een mens nu troost vinden door middel van dergelijke liedjes? Misschien wat verpozing, maar geen hoop. Dat te menen is slechts een illusie. Dat zou een zogenaamde troost zijn die als een morgenwolk verdwijnt. Een troost zonder grond en zonder vastheid. Vest op prinsen geen betrouwen, waar gij nimmer heil bij vindt. We zingen die Psalm 146 nog al eens in de erediensten. Intussen is wezenlijke hoop een onbetaalbare zaak. We leven in een gebroken wereld vol leed en ellende. In een totaal zondige wereld die vanwege de zonden Gods toorn heeft verdiend. Is er, zo vragen we ons af, te spreken van hoop naar iets beters en iets hogers, naar een leven zonder leed en ellende en zonde? Hoop op een wereld waar geen sprake is van oorlog en oorlogsleed, geen sprake meer van ziekte of handicap, geen dood en verdriet meer?

Levende hoop

Het christelijk geloof predikt in deze wereld temidden van zondaren de levende hoop. Immers stond eens in deze gebroken wereld het kruis waaraan God zijn eigen Zoon nagelde. Die zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven. Hier achter staat Gods liefde. Gods liefde tot zijn eigen wereld, tot mensen verloren in schuld. God is in zijn barmhartigheid zeer diep bewogen en heeft er om zo te zeggen alles aan gedaan om zondaren te verlossen en wezenlijke hoop te bieden. Christus heeft zich laten zenden om de opdracht van Zijn Vader volkomen te vervullen. Hij kwam in een dienstknechtgestalte. In vernedering. Aan het kruis droeg Hij onze krankheden en smarten, onze schuld en zonden, de toorn van God. Hij ging onder in onze totale dood. En in zijn opstanding heeft Hij overwonnen en het leven aan het licht gebracht. In het evangelie wordt Hij verkondigd. Door de prediking belooft de Heere aan allen die geloven vergeving van zonden en levensvernieuwing, eeuwig leven en de volle zaligheid op de nieuwe aarde. Dat is de levende hoop. Dingen die men hoopt.

Maar…………

Maar laten we nuchter zijn, vaak is het in het leven er zover vandaan. In Gods beloften wordt het eeuwige leven beloofd, terwijl hier ons leven nog gesloopt wordt door ziekte en we sterven. Hier gaat alles nog steeds door. In de beloften van God wordt beloofd de zalige opstanding van het lichaam in onverderfelijkheid, maar intussen liggen de lichamen in de graven te verteren en vergaan ze tot stof. Door het geloof mogen we weten gerechtvaardigd te zijn en vrij van de zondeschuld, maar elke dag zondigen we weer en woont de zonde in ons. De HEERE belooft geluk en vrede, maar intussen is het leven ondergedompeld in ellende en twist. God belooft dat het ons aan niets zal ontbreken, intussen komen veel van Zijn kinderen om van honger en dorst. God belooft dat eer zij roepen Hij antwoorden zal, maar intussen lijkt het alsof de hemel zo gesloten is dat God niet van ons weet. Hij belooft dat de poorten de hel zijn gemeente niet zullen overweldigen, maar intussen lijdt de kerk op vele plaatsen van deze wereld aan geweldige vervolging.

Een vaste grond

Het geloof is een vaste grond van de dingen die men hoopt. Het hart kan zo moedeloos zijn, maar toch zingt het ook weer: Ik blijf de Heere verwachten. Hoopt op de Heere, gij vromen. Hoe kan dat? Wel, onder de hoop dat de Heere alles zal geven wat Hij beloofd heeft en we toch in een vaste verwachting mogen uitzien naar de volle verlossing en het eeuwig leven, onder die hoop ligt een fundament, een vaste grond, een zeker vertrouwen. En op welk fundament rust de hoop en bloeit de hoop op en wordt de hoop gevoed? Het geloof is die vaste grond. Omdat ik God en zijn belofte geloof, omdat ik in het geloof mij geheel aan God en zijn Woord toevertrouw, daarom leef ik in een vaste hoop. Het zàl komen. Waarom? Omdat God de getrouwe is en Hij het heeft beloofd, daarom kan in dat geloof een mensenkind volkomen op Gods Woord aan. Het geloof mag op Christus zien die zit aan de rechterhand van God. Hij is ons van God geworden tot rechtvaardigheid, heiligheid en volkomen verlossing. Christus zit aan de rechterhand des Vaders, in Hem zijn alle weldaden, Hij leeft om altijd te bidden. Op grond van dat geloof hebben we de hoop als een anker der ziel dat ingaat in het binnenste voorhangsel, waar de Voorloper voor ons is ingegaan, namelijk Jezus.

Zo lang er leven is, is er hoop?

Er wordt in het dagelijkse leven door christenen vaak op een oneigenlijke, onbijbelse manier over hoop gesproken. Iemand is overleden. De rouwkaart vermeldt dat hij of zij is overleden “in de hope des eeuwige levens”. O, zo reageert zegt men daarop, we weten dus niet zeker of hij of zij goed heen is. Er staat: we hopen het, dus we weten het niet zeker. U gebruikt en verstaat dan het woord hoop niet op een Bijbelse manier. De Bijbelse hoop is gegrond op zekerheid. En bedriegt niet.

Laat ik nog een voorbeeld noemen. Tijdens een begrafenis worden de familie en bezoekers opgewekt om de Heere te zoeken. Het kan nog, zo zegt men dan, u kunt nog bekeerd worden, want zo lang er leven is, is er hoop. U leeft nog. Dus is er hoop dat u nog eens bekeerd mag worden. Doch zeker is het niet. Maar deze hoop is onzeker, rust niet op een vaste grond, hangt in de lucht. Misschien. Ja, misschien gebeurt het nog eens. Dit geeft toch geen enkele troost of houvast. U verstaat dat op deze manier de Bijbel niet over de hoop spreekt. Het geloof is een vaste grond van de dingen die men hoopt. Hoop geeft zekerheid dat komt wat men verwacht omdat de levende hoop rust op het fundament van het geloof in de vastheid van Gods belofte.

Immers, het geloof, gewerkt door Gods geest in het hart, leert leven uit en rusten op Gods woord. Dat wil ook zeggen dat door het geloof de dingen die men hoopt al werkelijkheid mogen zijn. Zo vast en zeker is het omdat God het beloofd heeft.

Dingen die niet gezien worden

Het geloof is ook een bewijs van de dingen die men niet ziet. Dingen die men niet ziet. Die zijn er zoveel. Neem nou de schepping. Wie was erbij? Wie heeft het gezien dat de Heere door zijn machtswoord die prachtige schepping in zes dagen voortbracht? De Schrift vertelt het ons, maar geen mens was er bij of was er getuige van. God schiep de mens uit het stof der aarde. Maar niemand was er getuige van om ons te zeggen dat dit inderdaad zo gegaan is. Wie zegt mij dat de evolutietheorie het niet bij het rechte eind zou hebben? Hebben Adam en Eva bestaan? Was er werkelijk de zondeval? En al die wonderen waarvan de schrift gewaagt. Neem nou Jona. Hij was in het ingewand van die vis en deze heeft hem weer uitgespuwd. Dat gaat toch tegen de wetenschap in. Wie zegt mij dat dit werkelijk is gebeurd?

U kent dat ook wel, denk ik, dat het hart kan worden aangevallen met de gedachte dat ik mij zoveel dingen maar wat inbeeld. Is God er werkelijk en zit Jezus ook wel aan de rechterhand van de Vader? Wat zie ik van de zondevergeving als ik nog steeds weet dat de zonde in mij woont? Is de hemel er wel en zijn allen die in het geloof ons zijn voorgegaan werkelijk in de hemel. Als ik sta bij het graf van mijn kinderen, mag ik dan hoop hebben? Zijn ze bij de HEERE? Komt het eeuwige leven werkelijk, het vrederijk en de nieuwe aarde? Komt Christus terug? Dingen die niet gezien worden. De werkelijkheid van elke dag druist tegen zoveel en alles in. Heeft Christus de zonde, dood, hel en wereld en satan overwonnen? Hoe velen komen niet vanwege hun geloof in tijden van vervolging. Hoe is dat te rijmen met de overwinning van Christus? Heeft hij wel overwonnen? Dingen die niet gezien worden.

Bewijs

Toch is er bewijs voor al die dingen die niet gezien worden. De wereld is door God geschapen. De wonderen zijn gebeurd. Christus heeft overwonnen. De dood heeft het laatste woord niet. De satan is een verslagen vijand. Voor de zonde is betaald. Het eeuwige leven komt. God is er. De dood is een laatste vijand, maar wel overwonnen. Dingen die niet gezien worden. Maar het bewijs is er. Het geloof is een bewijs van de dingen die niet gezien worden. Door het geloof immers verstaan we dat de wereld door het woord van God bereid is. Het geloof in Gods Woord en belofte is het vaste bewijs van de dingen die niet gezien worden. Het is er. Het eeuwige leven. De volle zaligheid. Ik zie er nu niets van. Ik ben er zeker van. Het geloof is het bewijs omdat het bij God vast ligt. Het geloof is het bewijs dat de niet geziene dingen werkelijk bestaan. Wat kan mijn hart van binnen en van buiten aangevallen worden vanwege mijn zonden en dat er  geen vergeving voor is. En het wapen in deze strijd? Ik g e l o o f de vergeving der zonden.

Want, zegt Paulus, wij zijn in hoop zalig geworden. De hoop nu die gezien wordt is geen hoop, want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen? Maar indien wij hopen hetgeen we niet zien, zo verwachten wij het met lijdzaamheid.

Uitzien

We verstaan nu dat het geloof en hoop nauw samenhangen. Ik hoop en verwacht hetgeen ik geloof. Daarom is het niet alleen nodig om eerst het geloof te kennen, maar vervolgens dat het geloof mag toenemen om te volharden tot het einde. Dat geloof wil de HEERE versterken door de prediking van zijn Woord en aan de avondmaalstafel. Vanaf die tafel zien we uit naar de bruiloft. We zien het niet. Door het geloof weten we dat het komt. Daarom verwachten wij die dag met groot verlangen. Het geloof is het bewijs.

Ik blijf de HEERE verwachten

Mijn ziel wacht ongestoord

Ik hoop in al mijn klachten

Op zijn onfeilbaar woord

Gods Woord en belofte is de vaste grond van onze hoop. En die hoop beschaamt niet.

Bron:  Kerkbode Kralingse Veer, oktober 2004.