Meditatie Genesis 3:20 (september 1994)

“Voorts noemde Adam de naam zijner vrouw Eva, omdat zij een moeder aller levenden is.”

Genesis 3: 20

Het is een wonder, dat wij allen leven mogen, een plaats hebben op aarde, onze arbeid mogen verrichten en elke dag verkeren in het heden der Genade. Wil er sprake zijn van echt leven, van gehoorzaamheid aan Gods woord, van een leven in gemeenschap met de Heere, van troost en zaligheid, van uitzien en heilsverwachting, moeten we leven onder Een Naam. “En de zaligheid is in geen ander; want er is ook onder de hemel geen andere naam die onder de mensen gegeven is,  door welke wij zalig moeten worden.” ( Hand. 4: 12) Wie leeft uit die Naam en in geloof verbonden is aan die Ene Naam kent ondanks alle nood en moeite heilsverwachting. Leven uit het evangelie is leven uit Christus en Christus komt tot zondaren in het gewaad van Zijn beloften. Zo noemt Adam zijn vrouw Eva omdat zij een moeder van alle levenden is.

Deze naam die Adam zijn huisvrouw geeft spreekt van hoop en verwachting. Wellicht betekent de naam: de bron waaruit het leven is voortgekomen, levensbron. Adam ziet in zijn vrouw een levensbron. Het leven op aarde houdt niet op. het is met het menselijk geslacht niet afgelopen . Eva zal een moeder worden die veel levenden voortbrengt . Zo zullen mensen op deze aarde blijven wonen.

Deze naamgeving licht op tegen een zeer donkere achtergrond van moeite, vloek en dood. Genesis 3 verhaalt ons de zondeval. De mens heeft de levende God, de springader van het levende water verlaten en heeft zichzelf bakken uitgehouwen, gebroken bakken, die geen water houden. De mens heeft vrij en moedwillig God de rug toegekeerd en is de duivel, de zonde en de dood toegevallen. De Heere komt met zijn rechtvaardig oordeel over de slang (vers 14), de vrouw (vers 16) en Adam (vers 17- 19). Tot de slang spreekt God:” op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten”. Tot de vrouw klinkt het oordeel:” met smart zult gij kinderen baren en tot uw man zal uw begeerte zijn en hij zal over u heerschappij hebben.” Tot de man klinkt het:” zo zij het aardrijk om uwentwil vervloekt en met smart zult gij daarvan eten al de dagen uws levens. Ook  zal het u doornen en distelen voortbrengen. In het zweet uws aanschijns zult gij brood eten totdat gij tot de aarde wederkeert, dewijl gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.

Zo spreekt dit Goddelijk  oordeel als straf op de zonde van moeite, vloek en dood. En dit alles geheel rechtvaardig. Want de Heere had immers gezegd aangaande de boom der kennis des goeds en des kwaads:" ten dage als gij daarvan eet,  zult gij de dood sterven.” Adam heeft dit gebod van God overtreden.

Tegen deze achtergrond en op dit aangrijpend moment spreekt Adam dat hij zijn vrouw Eva noemt, moeder van alle levenden, levensbron. Er is hoop en verwachting, want er zal uit Eva als moeder leven voortkomen. De dood heeft het laatste woord niet. Het leven zal alles overwinnen.

Men heeft wel verondersteld dat Adam in deze naamgeving zich verzet tegen de Heere en het uitgesproken oordeel. Zeer zeker niet. Hij buigt onder Gods oordeel als rechtvaardig verdiend. Wanneer Adam deze naam aan zijn vrouw geeft, heeft hij grond onder de voeten, er is een gegronde verwachting. Niet in hemzelf, maar in Gods belofte. U  moet er eens op letten hoe de Bijbel verhaalt dat, voordat de Heere het oordeel uitspreekt, hij met Zijn belofte komt. Het oordeel over de vrouw en de man lezen we in de verzen 16 tot en met 19. En in vers 15 staat Gods belofte van het komende Vrouwenzaad. We spreken we van de moederbelofte.” Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, tussen uw zaad en tussen haar zaad; Datzelve zal u de kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen.” De belofte gaat voor het oordeel uit. Het slangezaad zal het verliezen. De kop van de slang zal voor eeuwig verplet worden. Het  Vrouwezaad zal overwinnen. Dit is een belofte, waarin de adventsklokken gaan luiden, een belofte die spreekt van leven, overwinning, heil en zaligheid. Deze belofte mag Adam door de wederbarende kracht van de Heilige Geest omhelzen. Een belofte die vastligt in de komende Christus.

Uit Eva zal het Vrouwezaad, de Christus geboren worden. In Hem ligt het leven. Ons leven ligt onder de vloek, trekt door strijd en moeite heen en zal eindigen in de dood. Waren er geen zonden, er waren ook geen wonden. Door de zonden zijn we van God vervreemd. Dood door de zonden en misdaden. Door de zonden zal een mens voor eeuwig vergaan. Kan er sprake zijn van uitzicht, hoop en levensverwachting? Uit en van onszelf nooit en nimmer. Alleen door een leven uit Gods beloften en een leven uit de Ene Naam, Jezus Christus.

Eva, Levensbron. Moeder van alle levenden. Omdat uit haar het Vrouwezaad, de Christus zal geboren worden. Wat heeft Adam van Hem gezien? Hij heeft gehoord van het komende Vrouwezaad. Van het vermorzelen van de verzenen, de hiel. Van hem zal gegolden hebben wat we lezen in Hebreeën 11: “Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve van verre gezien en omhelsd en hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op aarde waren.”

Aan ons die leven in de tijd van het Nieuwe Testament is in de Schriften de volle Christus geopenbaard, Die in de volheid des tijds gekomen is, geworden uit een vrouw, geworden onder de wet. Hij is de weg gegaan plaatsbekledend en betalend aan het recht des Vaders van lijden, kruis, sterven en opstanding. Door Zijn opstanding heeft Hij de duivel, de zonde en de dood overwonnen en zo is Hij de Levensvorst, Die nu zit aan de rechterhand des Vaders. Wie in Hem gelooft, zal leven. Door het geloof in Hem is er levensgrond en levensverwachting. In Christus is er schuldvergeving, heil, leven, troost en vrede. Door Hem heeft alle moeite, vloek en dood het laatste woord niet, maar zal het leven triomferen.

De grote en beslissende vraag, die op ons allen afkomt is of wij deze Christus mogen kennen en Hij in ons een gestalte heeft gekregen. Mogen wij beoefenen het ware zaligmakend geloof? Want zonder geloof is het onmogelijk om God te behagen. Geloven is leren afzien van alles van onszelf en onze gerechtigheden. Geloven is onder God belijden dat wij gezondigd hebben en midden in de dood liggen en is leren leven van genade en rusten op de arbeid van een Ander. Geloven is als een verloren zondaar de toevlucht nemen tot de gerechtigheid van Christus en schuilen in Zijn bloedwonden. Geloven is afzien van eigen werken en prestatie en leven uit enkel gratie. Door U, door U alleen. Geloven is alles uit handen geven en ons laten zaligen door Hem, Die de dood heeft overwonnen. Geloven is een vertrouwend kennen en een kennend vertrouwen. Geloven is mijn eigen naam leren kennen als een volkomen zondaar en leven uit een andere Naam: Gij zult Zijn naam heten Jezus, want Hij zal Zijn volk zaligmaken van al hun zonden. Ik midden in de dood. In Christus het leven. Er is nimmer een gegronde heilsverwachting buiten het Vrouwezaad om.

Wanneer Adam zijn vrouw de naam Eva geeft, is er tegelijk sprake van een naamsverandering. In Gen. 2 heeft Adam zijn bruiloftslied gezongen. De Heere gaf hem een vrouw als een hulp die tegenover hem is, een hulp die zeer passend voor hem is. De Heere gaat hem de vreugde van een huwelijk geven en zo zijn leven completeren.

Eerst liet de Heere de dieren voorbijgaan aan Adam om ze alle te benoemen. Adam vond geen hulp passend voor hem. Wel is de begeerte naar een levensgezellin gewekt. De Heere doet een diepe slaap over Adam vallen en bouwt de vrouw uit diens rib. En als Adam wakker wordt, zingt hij zijn lied: “Deze is ditmaal been van mijn benen en vlees van mijn vlees. Men zal haar Manninne heten, omdat zij uit de man genomen is.” Nu geeft Adam haar een andere naam. Zij heet nu niet meer Manninne, maar Eva.

Hier komt in het leven van Adam de zelfverloochening openbaar. Aanvankelijk heette de vrouw Manninne. Deze naam is de vrouwelijke vorm van man. Als Manninne is zij voortgekomen uit de man, behoort ze tot de man en is ze geheel gericht op de man. Als Manninne is ze er voor Adam.  De naam Manninne geeft een zeer nauwe vereniging aan met de man.  Eén vlees.  Maar als Eva is zij meer gericht op het komende nageslacht, gericht op het Vrouwezaad. Als Manninne is ze gericht op de eerste Adam, als Eva op de Tweede Adam. Zo moet Adam zijn vrouw afstaan opdat ze moeder wordt, afstaan aan God, opdat de Heere Zijn belofte door haar kan vervullen. Dit spreekt van zelfverloochening. Adam moet leren alles af te staan, aan de HEERE geven. Alles om Christus’wil verliezen. De Heere zegt in Zijn Woord: ‘Zo iemand achter Mij wil komen, die verloochene  zichzelf, neme  zijn kruis dagelijks op en volge mij.”(Lukas 9 : 23) En ook: “Want wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil, die zal hetzelve vinden.” (Matth. 16 : 25)

Zo zien we wat geloven is. Dat is alles inleveren om alleen uit Christus te leven, alles alleen van Hem te verwachten, Hem in alles gehoorzaam te zijn. Dat vraagt zelfverloochening om alleen Hem te bedoelen, Hem te zoeken, in alle wegen en onder alle omstandigheden achter Hem aan te gaan. Maar wie zo mag leven uit genade ontvangt in Christus alles, omdat in Hem alles ligt. Zelfverloochening is niet mijn verstand, wil en begeerten volgen, maar ons geheel en al laten leiden door de HEERE alleen, opdat door de Heilige Geest ons verstand, wil en begeerten geheiligd mogen worden.

Zo spreekt Genesis 3 ons van twee kruisen. Het kruis van Christus en ter wille van Hem het kruisdragen achter Hem aan. Wie er weet van heeft wat het is om van gegeef zalig te worden, leert alles inleveren. Wie in die ene Naam alle zaligheid gevonden heeft, wordt zalig door het verzoenende kruislijden van Christus om het leven om Zijnentwil te verliezen en het kruis achter Christus aan te dragen om uit enkel genade in te gaan in het eeuwige leven.

Leven wij uit en door die Ene Naam? Dan is er verwachting.

 Bron: Kralingse Veer, kerkbode september 1994.