Meditatie Exodus 13:17-22 (september 2005)

De leidingen van de Heere bij het uitgeleide volk

"En het is geschied, toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op de weg van het land der Filistijnen, hoewel die nader was; want God zei: Dat het het volk niet berouwe als zij de strijd zien zouden en wederkeren naar Egypte. Maar God leidde het volk om, door de weg van de woestijn der Schelfzee. De kinderen Israëls nu togen bij vijven uit Egypteland. En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zware eed de kinderen Israëls bezworen zeggende: God zal u voor zeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met u van hier. Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn. En de HEERE trok voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat hen op de weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat hen lichtte, om voor te gaan dag en nacht. Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg van het aangezicht des volks."

Exodus 13 : 17 -22

Bij vijven

Deze enkele verzen zijn van groot belang. Zij vertellen ons van de verdere leiding van de Heere van Zijn volk dat Hij uit het slavenhuis verlost heeft. Ze staan ingeklemd tussen de vermelding van twee machtige feiten. Het gebeuren van de uitleiding uit Egypte en van de doortocht door de Rode Zee. De Heere gaat zelf voor zijn volk uit en Hij bepaalt haar weg. De kinderen Israëls nu togen bij vijven uit Egypteland. Zo staat het er aan het slot van vers 18. We moeten vooral niet aan chaos en verwarring denken zoals bij een op de vlucht geslagen volksmenigte. Hoe vreemd het ons ook wellicht in de oren klinkt, maar hier trekt een volk uit alsof het een leger betreft dat in de grootste orde en terdege toegerust voort marcheert. Het betreft hier immers het leger van Hem die de HEERE der heirscharen is. Het volk trekt wel in haast uit, maar slaat niet op de vlucht.

Strijd

Inderdaad. Er is een strijd geleverd. Een zeer hevige en zware strijd. Een strijd tussen de HEERE en de farao van Egypte. Een strijd om het volk Israël. De Heere heeft dit volk uitgevoerd omdat Hij het volk liefheeft en omdat Hij houdt de eed aan de vaderen gezworen. Israël is een heel bijzonder volk. Het is door de Heere verkoren tot zijn volk. Hij heeft zich aan het volk verbonden door zijn aan de vaderen gegeven beloften. Het volk is zijn eigendom. Maar de farao van Egypte heeft eveneens zijn hand op dat volk gelegd. Hij claimt dat volk en houdt het vast in de wurgende greep van de slavernij. Achter de Farao staat en werkt de satan, de grote tegenstander van God. Deze verklaarde vijand zoekt de totale ondergang van Israël omdat hij Gods werk wil verstoren en vernietigen. De Heere heeft deze strijd gewonnen. Hij beheerst in zijn Goddelijke leidingen heel het terrein en de situatie. Daarom verhaalt vers 17 dan ook: En het is geschied toen Farao het volk had laten trekken. Hij moest het volk wel loslaten en laten gaan. Hij kon tegen de Heere niet op. De Heere kwam uit de strijd als de grote overwinnaar en het volk mag in de triomf delen. Het trekt nu bij vijven, in orde als een overwinningsleger uit. Een wonderlijk leger. Beladen met de baktroggen met ongezuurd deeg, de buit aan opgeëiste gouden en zilveren voorwerpen en kleding. Mannen, vrouwen en kinderen. Hele gezinnen. Veel vee. Misschien ook wapenen? Een slavenvolk dat mag gaan proeven aan de vrijheid. Bij vijven. Wellicht trekt het uit als een gevijfd leger met een voorhoede, een achterhoede, een middenformatie en mensen aan de beide flanken.

Gebeente van Jozef

Mozes blijkt een kenner van de geschiedenis te zijn. Niets ontgaat hem. Hij heeft weet van het sterven van Jozef, indertijd in Egypte. (Genesis 50 : 24 en 25) Jozef heeft door het geloof stervende gemeld van de uitgang der kinderen Israëls en heeft bevel gegeven van zijn gebeente. (Hebr. 11 : 22) Hij wist en geloofde op grond van Gods belofte dat de Heere het volk eens zou bezoeken en voeren naar het beloofde land. Hij gaf aan zijn broeders bevel zijn beenderen mee op te voeren. Dit gebeente van Jozef gaat inderdaad mee en is later begraven in Sichem (Jozua 24 : 32). Wonderlijk. Een doodskist temidden van het volk dat op weg is naar het beloofde land. Het zal een reis worden van veertig jaren. Menigmaal zal kleingeloof, twijfel en moedeloosheid, zelfs opstand toeslaan. Een rijke troost gaat van dit gebeente uit. Dit gebeente, we verstaan het, wijst het volk op Gods belofte. Dit volk is immers geboren uit de belofte en zal naar Gods belofte in Kanaän komen. De meegevoerde beenderen van Jozef getuigen van Gods genade en trouw. Voor het volk tot bemoediging en versterking van het geloof. Een teken van hoop ook, de levende hoop op het eeuwige leven. Ziedaar. Het volk dat uittrekt uit Egypte op weg naar het land der belofte. Een bijzonder volk. Niet in zichzelf, maar vanwege Gods verkiezende liefde.

De strijd gaat door De strijd, die gevoerd is om het volk tussen de Heere en de vijandige machten, gaat nog door. Heel de wereld ligt in de greep van de machten der duisternis, van satan en dood. De mensheid heeft zich immers van God losgemaakt en aan de satan en de dood overgegeven. De Heere haalt de Zijnen uit de duisternis om te brengen tot Zijn licht. Dit gaat dwars door de strijd heen. Ik zal vijandschap zetten, zo sprak Hij, tussen u en tussen deze vrouw, en tussen uw zaad en tussen haar zaad. Dat zal u de kop vermorzelen en gij zult het de verzenen vermorzelen.  In deze strijd staat de uitslag vast. Het Zaad van de vrouw, Jezus Christus, zal overwinnen, wel door zijn lijden en sterven heen. Zijn verzenen worden vermorzeld. Maar Hij heeft satan en de machten der duisternis overwonnen. Totaal. De kop vermorzeld. Hij doet allen die in Hem geloven in de overwinning delen.

De strijd gaat nog door, maar de satan heeft verloren en zal steeds weer verliezen. Zo worden mensenkinderen, zondaren uit alle windstreken, uit het slavenhuis uitgeleid. Een leger trekt uit door deze wereld heen onder de banieren van koning Jezus, Het Zaad van de vrouw. De Heere der heirscharen gaat voorop.

Ordelijk

Die uitleiding geschiedt ordelijk. Door de orde van Woord en Geest. We spreken van de orde van het heil. De Heilige Geest leidt in de waarheid en geeft zelfkennis en Godskennis, kennis van mijn zondig bestaan en van de verlossing door Jezus Christus. Uit de Schrift leer ik Christus en zijn bloed kennen. De kerk wordt uit Gods belofte geboren en zal naar die belofte ingaan in het eeuwige leven. Christus komt tot ons omkleed met Gods beloften. Uitgeleid door te schuilen achter zijn bloed, het bloed van het Lam. Door de wereld en de strijd heen trekken we uiteindelijk naar Gods belofte naar de volle eeuwige rust.

Door de wereld trekt een leger, een wonderlijk leger. Door de Heere verlost uit de duisternis van de vloek en verlorenheid leeft het uit zijn belofte en leert het meer en meer christus kennen. Behoort u tot dat leger? Een vraag van het allergrootste levensbelang.

De omweg

Het volk Israël trekt uit. Einddoel het land Kanaän. De Heere gaat aan de spits. Hij zal wel de kortste weg nemen. Deze loopt langs de Middellandse Zee via de karavaanroute. Deze weg is het kortst en binnen niet al te veel dagen zal men in Kanaän zijn. Het is de weg van het land der Filistijnen. Dit is een handelsroute en ook de militaire doorgangsweg vanuit Egypte naar Palestina. Maar we lezen tot onze schrik dat God hen niet leidde op de weg van het land der Filistijnen. Maar God leidde het volk om door de weg van de woestijn van de Schelfzee. Het volk was getrokken van Raämses naar Sukkoth en vandaar naar Etham, de poort vanuit Egypte. In plaats van nu verder de weg, de karavaanroute te nemen leidt de Heere de weg om. De Heere neemt een omweg.

Deze omweg leidt door de woestijn en zal uiteindelijk veertig jaren duren. We vragen ons af waarom. We krijgen direct antwoord. Want God zei: Dat het het volk niet rouwe als zij de strijd zien zouden en wederkeren naar Egypte. Op deze weg zouden ze Egyptische militaire vestingen tegenkomen met geoefende soldaten. Wellicht moeten we ook denken aan de Filistijnen die er al zullen gewoond hebben in het zuiden van Palestina en de strijd zullen aanbinden. Echter, dit slavenvolk trekt wel uit als een ordelijk en slagvaardig leger, maar is niet geoefend voor de strijd en kent geen geoefende manschappen. Door de strijd en zelf zwak tegenover die overmacht zal het volk moedeloos worden en terugkeren. Daarom leidt de Heere het volk langs een omweg. Uit opvoedkundige overwegingen. Het volk ten goede. Het moet in de woestijn geoefend en gelouterd worden. Tengevolge van deze omweg krijgt het straks te maken met de tocht door de Rode Zee, de verbondssluiting bij de Sinaï en de loutering van de weg door de woestijn. De strijd komt, met de Amalekieten.

Waarom de omwegen

De Heere gaat met allen die Hem vrezen en dienen vaak een omweg. De kortste weg, recht toe en recht aan, is te zwaar vanwege de strijd. Die weg is door Christus gegaan. Christus ging de weg van de zware strijd in directe confrontatie met de vijanden. Zijn weg ging dwars door de volle dood. Hij droeg onze schulden en smarten en ging onder de volle toorn van God. Hij heeft de overwinning behaald en deze geopenbaard in zijn opstanding.

De Heere, zo zeiden we, leidt vaak de weg van de gelovigen om. Kijk niet vreemd op en wordt niet moedeloos als u met allerlei omleidingen in uw leven te maken krijgt. God heeft er een bedoeling mee en doet het in liefde. Acht het voor grote vreugde, mijn broeders, wanneer als ge in velerlei verzoekingen valt, wetende dat de beproeving van uw geloof lijdzaamheid werkt. Er zijn omwegen van moeite en verdriet, van ziekte en rouw. Er is veel leed dat de kerk niet voorbijgaat, maar soms juist haar in het bijzonder treft. Wegen van moeiten tot loutering en beproeving om te sterken in het geloof en te oefenen in de strijd.

Ons geestelijk leven heeft diepgang nodig, anders blijft het alles zo aan de oppervlakte. In dat geestelijke genadeleven kunnen we dicht bij Christus leven en veel Gods liefde ervaren. De Heere buigt de weg om en we komen in het donker terecht. De Heere houdt zich verborgen. U moet klagen dat de Heere u heeft verlaten en bang vraagt u zich af waar uw God toch wel is. Zie, ga ik voorwaarts zo is Hij er niet, of achterwaarts zo verneem ik Hem niet. (Job 23,8). Of: Nu zal ik één der dagen door Sauls hand omkomen. (1 Samuel 27,1) De vijanden blijken oppermachtig en eigen krachten zwak. De Heere buigt de weg om teneinde ons vlees te kruisigen en opdat we leren afzien van alle eigen gerechtigheid en sterkte om meer en meer alleen uit Christus te leven.

De weg langs de kortste route was te zwaar vanwege de strijd. De strijd komt wel, maar we moeten eerst geoefend worden. Geoefend hoe we te strijden hebben. Niet in eigen kracht, maar door de overwinningskracht van Christus. In afhankelijkheid van Hem.

De HEERE leidt

De Heere gaat wel een omweg. Maar op die omweg leidt Hij het volk. En de Heere trok voor hun aangezicht des daags in een wolkkolom dat Hij hen leidde op de weg; en des nachts in een vuurkolom dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. De wolk- en vuurkolom gaat vooraan om de weg te wijzen. Het volk heeft maar te volgen. Overdag wordt de weg gewezen door een wolk in de vorm van een zuil. Des nachts is het een zuil van vuur en wordt de weg verlicht. Het volk kan met grote spoed dag en nacht trekken.

Wanneer later het volk door de Rode Zee trekt, vertrekt de engel Gods naar achter. De wolkkolom vertrekt eveneens naar achter. Dan staat de wolk- en vuurkolom tussen Israël en het leger der Egyptenaren. Licht voor Israël, duisternis voor de Egyptenaren.

Wanneer nog weer later Mozes op de berg Sinaï tot God klimt en nadert, bevindt zich op de berg de wolk en de heerlijkheid des Heeren woont er als een verterend vuur. Wanneer naar het bevel des Heeren de tabernakel gemaakt en gereed is, staat de wolkkolom op de tabernakel en vervult de heerlijkheid des Heeren haar geheel. De Heere leidt dus niet alleen zijn volk, maar dan woont Hij ook temidden van haar en schenkt Zijn gemeenschap.

Wolk- en vuurkolom

Wolk- en vuurkolom. Het vuur is een teken van Gods majesteit en heerlijkheid. Niemand kan God zien. Onze God is een verterend vuur. Een vuur dat kan verteren als we in goddeloosheid blijven doorleven, maar ook kan verwarmen in de strijd van het leven. Het vuur is verborgen in, omhuld door de wolk. Dit alles wijst heen naar Christus. Niemand heeft ooit God gezien, maar de eniggeboren Zoon die in de schoot des Vaders is, die heeft Hem ons verklaard. Door Christus mogen we delen in de gemeenschap van de Vader. In het NT woont de Geest in de kerk en door de Geest de Vader en de Zoon. Op de nieuwe aarde zal de Heere voor eeuwig bij ons wonen en mogen we delen in Zijn gemeenschap.

De Heere gaat in de wolkkolom vooraan als teken dat Hij het volk heeft verlost en dat Hij het leidt. Deze wolk- en vuurkolom is een teken en zegel van Gods tegenwoordigheid. En spreekt van Gods verlossend en leidend handelen. Ook van zijn bescherming. We lezen in Psalm 105 : 39 :Hij breidde een wolk uit tot een deksel en vuur om de nacht te verlichten. In de woestijn kan de hitte van de zon ondraaglijk zijn. Om het volk te beschermen spreidde de Heere de wolk uit als een deken en gaf erin zelfs vochtigheid. Voor een oosterling bergt de nacht in zich veel gevaren en angsten. In de nacht gaf de wolkkolom licht om de angstaanjagende duisternis te verdrijven. Zo bedekte de wolk het volk om het te beschermen tegen de hitte van de zon. Paulus spreekt van gedoopt zijn in de wolk.

De HEERE gaat voor

Zo doet de Heere nog. Maar veel heerlijker en rijker en voller. In ons leven is er de hitte der zon in de moeiten en noden, in het inleven van mijn zonden voor een heilig God. De Heere bedekt ons door en met zijn troost, liefde, beloften, genade. De weg gaat vaak door de nacht heen. De Heere wil de nacht verlichten met zijn vertroostingen en beloften.

Zie, als de Heere de weg omleidt en we trekken door de woestijn. Hij gaat voor. Christus is in de hemel, maar naar Zijn Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt Hij nimmermeer van ons. Hij leidt ons door Woord en Geest. Niet dat altijd het oog des geloofs voor Christus geopend is. Wij gaan wel dwaalwegen. Soms is het donker en duister. Toch gaat Hij voor. Hij neemt de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg. Gaan we achter Christus aan? Zo gaan we veilig door alle strijd, verdrukkingen en moeiten heen. Al de weg leidt mij de Heiland.

Bron: Kerkbode Kralingseveer, september 2005.