Meditatie Psalm 43 (maart 2003)

Een gebed tussen klacht en geloofsvertrouwen

“Doe mij recht, o God, en twist Gij mijn twistzaak; bevrijd mij van het ongoedertierenvolk, van de man des bedrogs en des onrechts. Want Gij zijt de God mijner sterkte. Waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart vanwege des vijands onderdrukking? Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden, dat zij mij brengen tot de berg Uwer heiligheid en tot Uw woningen. En dat ik inga tot Gods altaar, tot de God der blijdschap mijner verheuging en U met de harp love, o God, mijn God. Wat buigt gij u neder, o mijn ziel en wat zijt ge onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal Hem nog leven; Hij is de menigvuldige verlossing van mijn aangezicht en mijn God.”

                                                                                                          Psalm 43.

De klacht wordt een gebed

Zowel psalm 42 als psalm 43 zijn geliefde psalmen. Wij zingen ze graag. Ze staan middenin het leven van elke dag. Ze vertolken onze gevoelens in dagen van smart en tillen ons er boven uit in een vertrouwen op de levende God. Ze vormen als het ware één psalm in drie liederen. De dichter klaagt over de nood waarin hij verkeert. Tegelijk spreekt hij zijn hartelijk vertrouwen in de HEERE uit. Hij is in diepe nood, verstaat de weg des Heeren niet, tegelijk verwacht hij in het geloof alles van de HEERE. Temidden van deze worsteling klinkt zijn gebed.

Dat beide psalmen bijeen horen ziet u aan het refrein dat drie keer voorkomt én aan het opschrift dat alleen boven psalm 42 staat. De psalm is opgedragen aan de Korachieten. U weet van de opstand in de woestijn ten tijde van de veertigjarige tocht naar het land Kanaän onder leiding van Mozes. Een opstand zowel tegen Mozes als tegen Aäron en daarin tegen de HEERE Zelf. De opstand van Korach,  Dathan en Abiram. Korach betwistte Aäron en diens zonen het priesterschap en eiste dat op voor alle Levieten en zelfs voor het gehele volk. U weet dat ze allen levend in de aarde verslonden zijn. Toch blijkt het dat zonen van Korach gespaard zijn. Hebben zij zich bekeerd? In ieder geval komen we later de Korachieten tegen als tempelzangers. De dichter komt wellicht uit hun kring en is dan een Korachitische tempelzanger. Hij klaagt zijn nood uit in drie coupletten en laat zijn klacht overgaan in een hartelijk vertrouwen. In het derde couplet, psalm 43, wordt zijn klacht zelfs een gebed.

Zijn nood

De dichter van de psalm verkeert onvrijwillig in het buitenland. Waarschijnlijk in het uiterste noordoosten van het overjordaanse land. In vers 7 van psalm 42 spreekt hij van het land van de Jordaan en de Hermon. In dit gebied liggen de bronnen van de Jordaan. Een vijandelijke bende heeft een inval in het land gedaan en een aantal bewoners meegenomen. Denkt u aan het dienstmeisje van Naäman de Syriër, dat op dezelfde wijze in een vreemd land terecht gekomen is.

Het gevolg is dat hij niet naar de tempel in Jeruzalem kan gaan. Tegen de donkere achtergrond van het heden licht het verleden op. Wat schitterden de dagen van weleer toen hij de schare begeleidde naar het heiligdom in Jeruzalem. Hij mocht delen in de zegen van het verrichten van werkzaamheden in de tempel. Hij mocht er met anderen door middel van koormuziek de HEERE, de God van Israël, loven en prijzen. In het heiligdom werd in het geloof bij het meebeleven van de ceremoniën de verzoening ervaren en Gods gemeenschap gekend. Hij is er nu van verstoken. Dat grijpt hem hevig aan. De vijanden rondom hem spotten en honen met hem. Die hoon is als een doodsteek in zijn beenderen, als een dodelijke dolksteek tussen zijn ribben. Hij voelt zich als een stervende. Waar is uw God? , zo klinkt de bijtende hoontaal. Dat doet hem pijn. Immers in zijn binnenste woelt ook deze bange vraag waar nu toch wel zijn God is. En toch kan hij het niet hebben dat zij kwaad van zijn God spreken.

In vers 1 gewaagt hij van het ongoedertieren volk, van de man des bedrogs en des onrechts. Ongoedertieren volk. Het is een volk zonder goedertierenheid, dat is zonder verbondsliefde en trouw. Israël mag vanuit het verbond delen in de welwillendheid en barmhartigheid van de HEERE. Als vrucht daarvan, voortkomend uit de bron van Gods genade, leeft bij de gelovige, vrome Israëliet liefde en trouw tot de Heere en tot de naasten. Bij dit volk ontbreekt dit alles. Dit is een volk zonder godsdienst en godsvreze. Hij vindt het verschrikkelijk om temidden van hen te moeten verkeren. Daar komt bij dat zij bedrog en onrecht plegen. Zij bedriegen hem en gaan onrechtvaardig met hem om.

Zijn klacht tot de HEERE

Deze aangrijpende nood blijft hem niet slechts kwellen, zodat deze als een vuur in het binnenste blijft branden, maar hij klaagt zijn nood aan de Heere. Doe mij recht o God en twist Gij mijn twistzaak. Laat God het toch voor zijn recht opnemen. Hij weet zich onschuldig in dezen. Er is een twistgeding, als het ware een rechtszaak tussen hem en die vijanden. Laat de Heere als de hemelse Rechter hem tegenover de vijanden recht doen en de rechtszaak voor hem voeren. Verlos mij, o HEERE, van de vijanden. Dat hij in ballingschap temidden van vijanden verkeert, drukt hem zo terneer dat hij in het zwart gaat vanwege des vijands onderdrukking. Ja, die vijanden drukken hem met hun dwaze spottaal totaal terneer. Daarom gaat hij in het zwart. Hij loopt rond in een rouwgewaad. Dat wil zeggen in een vuil gewaad. In tijden van rouw gaat men heen in vuile kleren, al treurend. Men strooit as  op het hoofd en zit neer in stof en as zodat het gelaat en het kleed bezoedeld worden.

Zo diep treft hem zijn nood. En in dit alles voelt hij zich van God vergeten. Waarom vergeet Gij mij? Waarom verstoot Gij mij? Waarom ga ik in het zwart? Het meest aangrijpende voor hem is wel dat de Heere hem verstoot. In en achter zijn nood weet hij de slaande hand des Heeren.

Op de plaats waar hij verkeert, zijn watervallen. Geboeid kijkt hij er naar en ze spreken hem van zijn diepe nood. De afgrond roept tot de afgrond. De ene vloed roept tot de andere watervloed. Al die kletterende waterstromen gaan over hem heen. Het leed gaat als golven water over hem heen. Hij dreigt erdoor verzwolgen te worden. Al Uw golven en al Uw baren gaan over mij heen. Het grijpt hem het meest aan dat de hand des Heeren er in is. En waar om? Waarom?

De waaroms van het leven

Zo zien we de nood van deze dichter voor onze ogen. We voelen met hem mee. Immers in deze gebroken wereld verkeren velen in de noden en de moeiten van het leven, in zorgen en verdriet, in ziekte en in rouw, temidden van teleurstellingen en vijandschap van mensen. Het is voor een mens vanuit zichzelf onmogelijk om dat leed een plaats te geven en we vragen waarom dat toch allemaal gebeurt. Ja, de waaroms kunnen het hart benauwen. Nu valt in het algemeen wel te zeggen dat de zorgen van het leven gevolg zijn van de zonden. We leven immers in een zondige, gebroken wereld. Maar als er bijzonder leed is, behoeft dat niet een gevolg te zijn van een bijzondere zonde. Denk aan het lijden van Job. Het leed kan een kastijding zijn, een beproeving en kan dienen tot loutering.

Toch is het ons niet altijd duidelijk waarom al dat leed. God gaat vaak voor ons onbegrepen wegen. God is groot in Zijn wezen. Wij zijn heel kleine mensjes. Gods wegen zijn niet te vatten voor ons, laat staan dat ze zijn te doorgronden. Waarom, Heere, gaat u deze weg? Volgens sommige mensen mag je geen waarom zeggen. Maar waarom eigenlijk niet? Laten we nooit vergeten dat zelfs Christus aan het kruis uitriep: Waarom? En daarin nam Hij onze waaroms mee als in een bundel om ze te heiligen.

Toch op de bodem van het geloof

Het is het heerlijke en wonderlijke in deze psalm dat de dichter in zijn nood, terwijl hij zich verstoten weet van de Heere, toch zegt: Gij zijt de God mijner sterkte. Een sterkte is een bergvesting, een vesting waarbinnen veiligheid is. God van mijn toevlucht. U bent mijn Toevluchtsgod. Hij mag ondanks alles toch in het geloof God mijnen en vasthouden. In zijn nood en klagen staat hij toch op de juiste plaats. Hij staat op de plaats van het geloof. Nacht en toch geloven.

Zie, laten we in de nood als u de weg van de Heere niet verstaat en kan volgen, toch in het geloof aan Hem vasthouden en tot Hem de toevlucht nemen.

Waarom al die vijanden? Waarom verstoot u mij? Waarom al dat led en die moeilijke wegen? Ik begrijp dit allemaal niet. En toch! U bent de God van mijn toevlucht. Dat blijft als een paal boven water staan.

Ik denk aan de Heere Jezus die aan het kruis in de diepste Godsverlating hing. Nedergedaald ter helle, belijdt de kerk. Hij kon niet meer Vader roepen, en toch hield Hij als Borg aan Zijn God vast. Mijn God, mijn God waarom hebt Gij mij verlaten. In de Godsverlating hield Hij toch aan zijn God vast. Zo houdt Christus in de diepste aanvechting ons vast.  Opdat ik in mijn hoogste aanvechting verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste dat mijn Heere Jezus mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft. Gij zijt de God van mijn sterkte. Bij U schuil ik, o Heere. Wie in de Schuilplaats des Allerhoogste is gezeten, die zal vernachten in de schaduw van de Almachtige.

Gebed

De klacht gaat over in een gebed. Zend Uw licht en Uw waarheid. De dichter wil één ding. Verlost van zijn vijanden weer in Gods heiligdom komen om zijn werkzaamheden te hervatten, de Heere te loven en Zijn gemeenschap te kennen. Hij spreekt van de berg Uwer heiligheid. De afgezonderde berg waarop de tempel is gebouwd. De berg Sion waar Gods heiligdom is. En van Uw woningen. Een meervoudvorm en deze geeft de heerlijkheid en verhevenheid van de tempel aan. Een ingaan tot Gods altaar is weer op het voorhof komen om de offerceremonie te beleven in schuldbelijdenis en het ervaren van de verzoening. En U met de harp loven, dat is met muziek en zang God weer groot maken en Zijn gemeenschap kennen. Dat begeert hij. Hij vraagt : Zend Uw licht en waarheid dat ze mij geleiden terug naar Uw heiligdom. Hij vraagt om zo te zeggen om twee gidsen, twee engelen die hem zullen leiden. De engel van het licht en de engel van de waarheid. Uw licht , dat is Uw genade en heil. Heel de wereld is duisternis vanwege de zonde. Zend mij het licht van Uw genade. Hij weet dat hij een zondaar is en dat hij het waard is dat God hem verstoot.  Denk aan mij toch in gena, om Uw goedheid eer te geven. Uw waarheid, dat is Gods trouw. Hij mag zien op de waarheid van Gods beloften die amen zijn in Christus. Heere, ik grijp U aan in Uwe beloften die waar zijn.

Breng mij door Uw licht en waarheid weer terug in de tempel in Uw gemeenschap. Laten die beide engelen mij brengen in Uw heiligdom en Uw gemeenschap. Het gaat hem alleen om genade en om de vastheid en de betrouwbaarheid van Gods beloften.

En waar vinden we Gods licht en waarheid? In Christus. Hij is hét Licht, Hij is dé Waarheid. Een bede dus om de Engel des HEEREN, om Christus. Laat ik de toevlucht tot Christus nemen en laat Hij mij geleiden naar Gods gemeenschap en de verzoening in en door Christus.

Laat dat onze bede zijn in nood en in wegen van verdriet. Heere Jezus, leidt U mij en neem mij bij de hand zodat ik de troost en de kracht mag kennen van Uw genade en verzoenende liefde om door U Gods gemeenschap en de Vaderlijke liefde te smaken en een uitzicht op het eeuwige leven.

Geloofsvertrouwen

De klacht wordt een gebed en het gebed gaat over in een hartelijk geloofsvertrouwen. Wat buigt gij u neder, o mijn ziel en wat zijt gij onrustig in mij. De dichter pakt zichzelf aan. Wat is het dat ik mij neerbuig en slechts op mijn nood zie. Dat te doen geeft moedeloosheid, zelfbeklag en zelfmedelijden. Dat maakt geheel onrustig en doet me verder wegzinken.

Hoop op God. Dat is wachten op God. Op God wachten is een geloofsactiviteit. Wanneer u bezoek verwacht, maakt u alles gereed en wacht in vast vertrouwen op het moment dat het bezoek arriveert. Soms loopt u naar het raam om te zien of het verwachte bezoek er al aan komt.  Op God wachten is geloven dat Hij licht en waarheid is, weten dat Hij komt en gelovig daarop wachten. Eerst geloven en zo hopend wachten. Dat is al je vertrouwen alleen op Hem stellen. Ik zal Hem nog loven. Ja, hij mag er in het geloof zeker van zijn dat de Heere hem zal horen. Hij zal weer in de tempel lovend tot eer van God zingen. God is een God der blijdschap mijner verheuging, dat is de God van mijn jubelende vreugde.

Hij is de menigvuldige verlossing van mijn aangezicht en mijn God. Niet af en toe, maar menigvuldig. Hij is mijn verlossing en mijn God. Heerlijk geloofsvertrouwen om de Heere over te houden. In Hem is al mijn heil en Hij is mijn God. Zo kan ik door het leven heen en sterven tegemoet zien.

Bron : Kerkbode Kralingseveer, maart 2003.