Meditatie Hebreeën 12:4 (oktober 1992)

“Jaagt de vrede na met allen en de heiligmaking, zonder welke niemand de Heere zien zal.”

                                                                                                                                      Hebreeën 12:14

Dit is met recht een dringend woord te noemen. Zowel indringend als achter ons aan dringend. Het zou nodig zijn dat dit woord indringt tot in het diepst van onze ziel en ons gehele leven vervult. We zouden als leraren veel meer achter de kudde, aan onze zorgen toevertrouwt, moeten dringen, aandringen met deze woorden.

Ze staan in een bepaald perspectief. We hebben deze woorden te lezen tegen een bepaalde achtergrond. Het einde aller dingen is nabij; zijt dan nuchter en waakt in de gebeden, zo lezen we bij de apostel Petrus. Deze oproep tot nuchterheid staat in het verband van het einde aller dingen. Nuchter zijn is alles bezien en beleven vanuit en in het licht van het einde, de grote oordeelsdag. In dat licht bezien worden veel dingen betrekkelijk en gaan we ons meer toeleggen op wat wezenlijk van belang is. Leven vanuit het einde, gericht op het einde. Juist met het oog op de komende wederkomst van Christus ten oordeel hebben we deze woorden te lezen. Jaagt de vrede na met alle mensen en de heiligmaking.

Najagen is een heel krachtig woord. Een sterk geladen woord. We behoren er eigenlijk altijd mee bezig te zijn. Dit najagen van de vrede met allen en de heiligmaking moet ons gehele denken en doen doordringen. Het vereist de inspanning van alle krachten.

Vrede met allen. De schrijver zal bij vrede met allen vooral het oog hebben op het gemeentelijk leven der Hebreeën en te Rome. Daar zullen we toch wel naar alle waarschijnlijkheid de gemeente van de Hebreeën hebben te zoeken. Deze oproep geldt de omgang met elkaar als christenen. Zoek onder elkaar de vrede. Zo behoort het gemeentelijk leven ook vandaag de dag te zijn en zich te openbaren. Een zodanig letten op elkaar en gericht zijn op de ander dat we alles doen om de onderlinge vrede te bevorderen.

De schrijver sluit zich aan bij het Oude Testament. We lezen in Psalm 34 : 15 :”Wijk af van het kwade en doe het goede; zoek de vrede en jaag die na.”. Paulus neemt deze aansporing over in zijn brief aan de Romeinen. “Zo laat ons najagen hetgeen tot de vrede en hetgeen tot de stichting onder elkaar dient.”(Rom. 14 : 19)

Een mens van nature is zo op zichzelf gericht, dat zijn naaste niet direct in het vizier komt. Een ander mag met ons meedoen en naar ons luisteren. Hij mag zich bij ons aansluiten. Wij voegen ons liever niet bij en naar een ander. Wij zorgen goed en met veel inspanning voor ons eigen welzijn, maar als het over een ander, onze naaste gaat, kan het op de bodem van ons hart leven : Elkander hatende. Titus 3 : 3. Daar hebt u de gevallen, de natuurlijke mens ten voeten uit.  Jaagt de vrede na. Zoekt in een harmonische gemeenschap met elkaar te leven en elkaar te dienen en te helpen. God roept ons op mens te zijn voor een ander. Nauw hiermee verbonden de heiliging. Vrede met allen ook met hen die ons niet zo liggen of ons vijandig zijn. Maar wel in het licht van de heiliging van ons leven. Dat wil zeggen dat heel ons leven afgezonderd behoort te zijn van de wereld om toegewijd aan de HEERE. Heiliging is leven van en door de heiligmakende genade des Geestes. In de eerste plaats wil dit zeggen de reiniging van onze zonden te zoeken in het bloed van Christus. In de heiliging ligt vervat al het heil dat door Christus verworven is. Maar met heiliging wordt hier vooral bedoeld de toewijding van hart, hoofd en hand aan de Heere in de doding van ons vlees en de vreugde in de Heere. Heiliging zouden we kunnen omschrijven als de afsterving van de oude mens en de opstanding van de nieuwe mens.

Deze oproep klemt te meer, wanneer we deze woorden lezen en overdenken in het licht van de wederkomst van Christus. We dienen daarmee veel meer rekening te houden. De tijd wanneer en de plaats waar is niet door ons te bepalen. Wel weten we dat Hij voor de deur staat. Laten we zo mogen leven, dat we verstaan dat Hij elk ogenblik kan wederkomen. Hij komt, Hij komt om te oordelen de levenden en de doden. Hoe kunnen we dan voor de troon van de Heere staan als we hier in onvrede leven met onze naaste en we ons uitleven in de zonde?

Nee, we hebben niet slechts te letten op de vrede en de heiliging. We hebben die na te jagen. En dat met kracht en inspanning. Verwijt de Schrift nu geen Remonstrantse gedachten. Het is overduidelijk, dat de Heilige Schrift, het Woord des HEEREN, vol is van de oproep tot bekering en tot geloof. De HEERE weet dat dit geen vruchten zijn die van nature bij ons gevonden worden. Toch wekt Hij ons op er grote ernst mee te maken. Zo, dat we ons bekerende Hem ons onbekeerlijk bestaan leren belijden om Hem te smeken om bekering door de Heilige Geest. Het gaat hier over onze verantwoordelijkheid en de soevereiniteit Gods.

Wanneer de HEERE hier zegt dat we de vrede en de heiliging hebben na te jagen, wekt Hij ons op daarmee toch in ons leven ernst te maken. De Heere dringt achter ons aan. Hij legt dit als het ware zo in het hart door de kracht van de Heilige Geest, dat we deze vruchten niet in onszelf zoeken, maar bij Christus.

Jaagt de vrede na met allen en de heiligmaking. U verstaat dat de wet hierachter staat. De wet in de liefdesvolbrenging vanuit Christus. De eerste tafel van de wet gaat over onze verhouding tot de Heere en de tweede tafel van de wet gaat over onze verhouding tot de naaste. In het najagen van de vrede met allen letten we op de tweede tafel van de wet en bij de heiliging op de eerste tafel van de wet. Bij het najagen van de vrede met allen en de heiliging denken we aan de liefde tot de naaste en de liefde tot de Heere. Wanneer we hier spreken over het najagen van een leven in overeenstemming met de wet des HEEREN, hebben we beslist niet het oog op een omgaan met de wet, waarbij we in een wettische vroomheid alleen een hoogmoedige zelfliefde aan de dag leggen. Nee, de Heilige Geest legt in het hart van Gods kerk de liefdeswet om naar die wet tot eer van God in dankbaarheid te leven.

Och, dat wij Uw geboon volbrachten, Gena, o hoogste Majesteit, Gun door het geloof in Christus krachten, Om die te doen uit dankbaarheid.

Nu zijn we vruchteloos. Het geeft een zeer diepe smart in te leven en te verstaan, dat er uit ons geen vrucht meer gevonden wordt tot in eeuwigheid. Terwijl de Heere het zo waardig is dat we naar de wet Hem ter ere leven. Kijk, het gaat er maar om of we de Heere bedoelen en op het oog hebben. De Heere is het waard dat we Hem vruchten voortbrengen. Als we mogen leven door het geloof uit en door Christus komen deze vruchten openbaar in een leven naar de beide tafels van de wet.

Jaagt dit. Na. Zo legt de HEERE dit zeer dringend op. Dit moet ons niet aanzetten tot eigen hulp en het opbouwen van een eigen gerechtigheid, maar laat het ons uitdrijven naar Christus, opdat we in en uit Hem leven. Blijft in Mij en Ik in u, zo draagt u veel vrucht.

De schrijver zet deze oproep hier niet zonder reden neer. Er was bij de Hebreeën verslapping, een inzinking en een geestelijk verval. In die geesteloosheid is er weinig aandacht voor de ander in positieve zin. Wel in negatieve zin door op elkaar te vitten en elkaar te bekritiseren. Zo ontstaat er verwijdering en wordt er een basis gelegd voor veel twist. Zo doet hij hier de dringende en de ernstige oproep vrede na te jagen en de heiligmaking. Waarin het najagen van de vrede met allen vooral uitkomt, geeft de schrijver aan de Hebreeën nader aan. Toeziende. We hebben in een gemeente op elkaar toe te zien. Nee, niet in afbrekende en kritische zin, maar tot onderlinge stichting.

Op elkaar toezien dat is het werk onder en voor elkaar verrichten, wat heel specifiek behoort tot het ambt. Een ambtsdrager heeft acht te geven op de kudde. Zo behoren we allen, zonder ambtsdragers te zijn, toch op elkaar toe te zien, dat niet iemand verachtere van de genade Gods. Verachteren van de genade Gods geldt heel bijzonder voor een kerkmens. Verachteren is achterblijven, te laat komen. Stel u voor dat er onder ons zijn die als gedoopte christenen leven op het erf van de kerk, trouw de catechisaties hebben bezocht en de erediensten en ook belijdenis hebben afgelegd, maar toch achterblijven en straks te laat komen. Dat wil zeggen, dat het werk Gods in het leven wordt gemist en dat men niet werkelijk en wezenlijk deel aan Gods genade heeft. Dat is verachteren van de genade. Wel onder de prediking van de genade verkeren, maar er geen deel aan hebben en straks in het uur van het oordeel te laat komen en de deur gesloten vinden.

De vrede najagen met alle mensen is zo op elkaar toezien, dat niet iemand die met ons meeleeft op het erf van de kerk er blijk van geeft het ware geloof niet te kennen. Dat zal met het oog op de wederkomst verschrikkelijk zijn. Wel in de kerk, maar niet van de Kerk. Zie zo op elkaar toe. Opdat we elkaar opwekken de Heere te zoeken en elkaar te vermanen. Dat houdt vooral in voor elkaar bidden en smeken of de HEERE ontdekkend de blinde zielsogen opent, opdat er in het leven plaats kome voor Christus om uit Hem te leven.

Toezien dat niet iemand verachtere. Onze eerste taak ligt bij onze huisgenoten, onze familieleden, maar ook onze mede gemeenteleden. Zien we zo op elkaar toe? Niet of iemand een stap verkeerd zet om hem of haar heerlijk te kunnen beroddelen en door het slijk te halen. Toezien of niet iemand verachtere van de genade Gods die ons verkondigd wordt. Het is zo op elkaar toezien of er niet iemand is die als een wortel of plant groeit, die bittere en giftige vruchten draagt en zo de gemeente probeert te verontreinigen en mee te slepen. Gedoeld wordt op gemeenteleden die van de dienst van de HEERE afwijken en zich wenden tot de dienst aan zichzelf en de wereld. Gedoeld wordt op gemeenteleden met een boos en ongelovig hart. Hun aanwezigheid is gevaarlijk voor de gemeente die zo op een verkeerde wijze kan worden beïnvloed.

Op elkaar toezien of er niet een hoereerder of een onheilige is als Ezau. Dit bekende voorbeeld van ongeloof uit het Oude Testament heeft een verkeerde koophandel gedreven. Hij heeft het eerstgeboorterecht waaraan de verbondszegen verbonden was, verkocht voor een spijze. Hij leefde alleen voor het tijdelijke en zinlijke en heeft Gods genade veracht. Later heeft hij nog met tranen de zegen gezocht, maar vond geen plaats van berouw. Dat wil zeggen dat hij wel hete tranen schreide, maar er was geen wezenlijk berouw en een roepen tot de Heere.

Gij die leeft onder de verkondiging van het evangelie wees ernstig gewaarschuwd. Onderzoek uzelf of gij het ware geloof kent. Zonder dat geloof kan niemand voor God bestaan. Jaagt de vrede met allen na. Dat wil vooral zeggen om zo op elkaar toe te zien dat niemand verachtere van Gods genade en niet een hoereerder of onheilige is als Ezau. Dit moge onder ons werk geven in de binnenkamer om voor elkaar te bidden en te smeken of het de Heere behaagt dat ware zaligmakend geloof te werken in het hart.

Jaagt de vrede na met alle mensen en de heiligmaking. De vrede is de sjaloom, het ware welzijn, de heelheid. Dat is vrede met God en als vrucht daarvan en daaraan verbonden de vrede met elkaar. Kent u de vrede met de Heere door het bloed van Christus? Jaag na die te kennen. Zonder die vrede zal het straks in het komende oordeel niet wel zijn, maar allerverschrikkelijkst. Waar de vrede Gods gekend wordt uit genade is ook een jagen naar de heiligmaking om het beeld Gods weer te mogen vertonen. Ik jaag ernaar of ik het ook grijpen mocht, waartoe ik van Christus Jezus gegrepen ben.

Zonder wie niemand de Heere zien zal.

Dit is een troostvol woord. Aan het jagen door genade naar de vrede en de heiliging, of met andere woorden, aan het jagen om meer en meer Christus te leren kennen en in Hem gevonden te worden om zo de vruchten van vrede met allen en de heiliging te kennen, is verbonden het zien van de Heere.

De Heere zien. We denken aan de zaligsprekingen. Zalig zijn de reinen van hart, zij zullen God zien. Zalig zijn de vreedzamen, want zij zullen Gods kinderen genaamd worden. De Heere zien is de hoogste zaligheid. Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien, zo zegt Christus. De Heere zien is Hem kennen, leven in Zijn gemeenschap. Leven uit Zijn heil en genade. Dit zien van de Heere wordt in dit leven in beginsel gekend, waar het geloof beoefend wordt. Het geloof ziet Christus in al Zijn dierbaarheid, schoonheid. Hij is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend.

In dit leven is alles nog ten dele. Alrede en nog niet. Wie hier iets kent van het zien van de Heere krijgt heimwee naar de volle bruiloft. Dan zullen we Hem zien aangezicht tot aangezicht. Hem eeuwig zien is eeuwig leven in Zijn gemeenschap. Eeuwig de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zien en ons verlustigen in Zijn lof en gemeenschap. Welk een eindeloze vreugde.

Daar staat tegenover Hem eeuwig missen. Wie hier Christus niet kent in het geloof en niet jaagt naar de vrede en de heiligmaking, zal eeuwig buiten staan zonder de HEERE. Omdat dit zo ernstig is : Ziet op elkaar toe dat niemand verachtere van de genade Gods en dat niemand zij een hoereerder of onheilige. Eeuwig de Heere zien.

Dan ga ik op tot Gods altaren, Tot God, mijn God, de bron van vreugd; Dan zal ik, juichend, stem en snaren, Ten roem van Zijne goedheid paren, Die na kortstondig ongeneugt, Mij eindeloos verheugt.

Bron : Kerkbode Kralingseveer, oktober 1992.