Meditatie Markus 12:17 (september 1998)

Christus en de belasting aan de keizer.

“En Jezus antwoordde tot hen : Geeft dan de keizer dat des keizers is en Gode dat Gods is. En zij verwonderden zich over Hem.”

                                                                                   Markus 12 : 17.

Ongetwijfeld kan gezegd worden dat dit een zeer bekend woord is. Geeft de keizer dat des keizers is en Gode dat Gods is. Meestal worden deze woorden politiek geladen. Alsof het gaat om de verhouding tussen de staat/de overheid en de kerk. Een deel is voor de staat en een ander deel is voor God. Beter is het om te zeggen dat alles behoort te staan onder de koepel van Gods koninkrijk en in dat geheel heeft de overheid ook een plaats. Maar de vraag laat zich stellen of de Heere hier een uitspraak over de belasting en de verhouding tussen overheid en kerk doet. Het is zeker waar dat dit in die tijd een brandende kwestie was. Immers is Israël het verbondsvolk van de Heere. Hoe moet je Rome als bezettende macht een plaats geven? Gaan de woorden van Christus over deze kwestie? Of bedoelt Hij iets anders te zeggen? Laten we gaan zien.

Deze geschiedenis heeft plaatsgevonden in de laatste week van Jezus ’leven op aarde. En wel op woensdag, de laatste dag van Zijn onderwijs in de tempel. Hij heeft de gelijkenis van de boze wijngaardeniers verteld. Bij de geplante en verzorgde wijngaard denken we aan het volk Israël en aan alle zorg door de Heere aan haar besteed. Nu zoekt de Heere de vrucht: geloof en bekering. In plaats van deze is er vijandschap tegen de profeten. En als de Zoon komt willen ze Hem doden. We lezen in vers 12 : En zij zochten Hem te vangen. Hij die “zij ”denken we aan leden van het Sanhedrin. Zie daarvoor Markus 11 : 27. Vooral valt te denken aan de farizeeën. De geestelijke leidslieden willen Hem een strik leggen en overleveren aan de stadhouder om Hem te doden. Zij verstaan dat Hij de gelijkenis op hen sprak. Zij durven niets te doen omdat de schare op Zijn hand is en Hem ziet voor een profeet. Zie Matt. 21 : 46. Zij beleggen een vergadering en besluiten een afvaardiging te sturen om Hem een strikvraag te stellen. We lezen dan heel aangrijpend : En zij verlieten Hem en gingen weg. Dit is het meest ontzaglijke dat een mens kan doen : Christus de rug toe keren en aan Hem voorbijgaan. In hun hart leeft vijandschap tegen Christus en Zijn woord. Zij zoeken Hem te doden! Wij vragen ons af waarom er bij deze geestelijke leidslieden vijandschap tegen Christus leeft. Er zijn enkele redenen te noemen. Die vijandschap getuigt van geestelijke blindheid. Dat wil zeggen dat bij hen leeft een niet verstaan van zichzelf en van wie Christus is. Zij dragen geen kennis van hun boze, zondige, verdorven hart en daarom missen ze ook de juiste kennis van de Borg. Die vijandschap getuigt ervan dat zij leven bij een eigen gerechtigheid. Zij zoeken de weg der zaligheid in het verrichten van goede werken. Wat moet je dan met Christus doen? Die vijandschap bloeit op uit een leven vanuit het zondige hart. Door de zondeval zijn wij vijanden van God geworden. Zo is een mens van nature een vijand van God en dus ook van Christus. Tenslotte wil ik nog wijzen op een leven van zelfhandhaving. We lezen immers dat wie zijn leven zoekt te behouden die zal het verliezen. Zalig als ik mijn wapens inlever om alles alleen van de Heere te verwachten. Laten we al deze genoemde redenen maar op ons eigen leven betrekken. Gaan wij ook nog aan Hem voorbij? Zijn wij ook nog vijanden van het kruis van Christus omdat wij onszelf willen handhaven en alleen leven bij en vanuit het zondige hart?

Er is niet alleen sprake van vijandschap maar ook van veinzerij. Dat wil zeggen dat zij zich anders voor doen dan zij in werkelijkheid zijn. De afvaardiging bestaat uit leerlingen van de farizeeën  en uit Herodianen. Hier zien we een monsterverbond. Samen één tegen Jezus terwijl zij onderling verdeeld zijn. Herodianen zijn Romeinsvriendelijke joden omdat zij de Herodessen op de troon wensen. Maar daar moeten de farizeeën niets van weten. Daarover nu niet gepraat. Nu samen optrekken tegen Jezus. Zo gaat dat. Zij komen met een strikvraag om Jezus te vangen. Is het geoorloofd de keizer schatting te geven of niet? Het gaat bij deze schatting om het zogenaamde hoofdgeld. Elk jaar is een Judeeër verschuldigd een penning, een denarie als belasting aan de keizer te betalen. Dit hoofdgeld is ingevoerd in het jaar 6 na Christus. In dat jaar is Archelaus, de zoon van Herodes de Grote, afgezet en kreeg Juda een Romeinse stadhouder. Bij de invoering van dit hoofdgeld ontstond er veel verzet. Denk maar aan de opstand van Judas. De Galileeër. Als de Heere Jezus op deze vraag bevestigend antwoordt zal Hij de volksgunst verliezen en wanneer Hij de vraag ontkennend beantwoordt, pleegt Hij verzet tegen Rome. Hoe dus ook het antwoord uitvalt, zij zullen een oorzaak vinden om Hem te doden.

Zij komen echter heel vriendelijk over. Zij doen alsof Hij voor hen op een zeer hoge positie staat. Zij tonen zich buitengewoon vroom. Let maar op. Zij spreken Hem aan met Meester. Zij erkennen Hem dus als rabbi. Wij weten dat Gij waarachtig zijt. Zij willen daarmee uitdrukken dat Zijn woord betrouwbaar en oprecht is. Want gij ziet de persoon der mensen niet aan, maar Gij leert de weg Gods in der waarheid. Hij spreekt dus zonder aanzien des persoons en volkomen betrouwbaar leert Hij de mensen de weg Gods. En zo is het ook. Christus is Profeet. Hij is de hoogste profeet. Hij openbaart de raad Gods aangaande onze verlossing. Hij doet dat betrouwbaar, eerlijk, onomwonden. Wij moeten als we naar deze woorden luisteren toch wel zeggen dat zij Hem hoog inschatten. En dat is volkomen terecht. Is de Heere Jezus dit alles ook voor ons, voor u, voor mij? De beste plaats in het leven is toch altijd nog aan de voeten van de Heere. Is Hij onze Meester? Onderwerpen we ons in alles aan Hem om achter Hem aan te komen? Laat het altijd de bede van hart zijn : Heere, maak mij Uwe wegen, door Uw Woord en Geest bekend. Maar de vraagstellers, de geestelijke leidslieden van het volk veinzen dit alles. Want zij stellen de vraag om Hem te verzoeken, om voor Hem een strik te leggen. De Heere doorziet dit en vraagt waarom zij Hem verzoeken. Zo ontmoeten we op deze plaats mensen die vleiend in de mond, maar dodelijk vijandig in het hart zijn. Veinzerij is een aangrijpende zaak. Uiterlijk een vroom gelaat, innerlijk vol dodelijke haat. Wanneer ik op deze wijze tot de Heere kom en Hem denk te dienen doe ik dat als een hypocriet, een toneelspeler. Ik denk aan het woord van de Heere in Matth. 15 : 7. “Gij geveinsden, wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende: Dit volk genaakt mij met hun mond en eert mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij. Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen die geboden van mensen zijn”. De Heere zoekt naar waarheid in het binnenste.

De Heere zegt tegen de vraagstellers die Hem willen verzoeken : Brengt mij een penning. Het gaat om een zilveren denarie. Er wordt er één gehaald en tot Hem gebracht. Als u deze penning goed bekijkt, geeft hij aan de ene kant een beeldenaar van de keizer te zien met als opschrift : Keizer Tiberias, de verheven zoon van de verhevene (dat is Augustus). Aan de andere kant ziet u staan : Hoogste priester. De Heere vraagt dan : Wiens is dit beeld en het opschrift? Dat zien ze allen en dat is klaar en helder. Van de keizer. Nu gaat Christus geen politieke uitspraak doen. Ook laat Hij zich niet uit over het al of niet geoorloofd zijn van deze belasting. Wat Hij doet is zich heel gewoon aansluiten bij de werkelijkheid. Geeft dan de keizer dat des keizers is en Gode dat Gods is. Hij wil dus zeggen : Geeft aan de keizer wat van de keizer is, maar geef dan ook aan God wat aan God toebehoort. Wat bedoelt de Heere nu met deze woorden?

  1. We letten nog even op die penning. Alle ogen zijn erop gericht. En wat zien zij op die penning? De beeldenaar van de keizer. Geef dan aan de keizer wat de keizer toebehoort. De vraag laat zich stellen wie of wat de mens is. Om dat te weten, dienen we naar de Heilige Schrift te luisteren. Gods Woord zegt ons dat de mens geschapen is naar Gods beeld en Gods gelijkenis. Dat is de hoge positie waarin de Heere de mens geschapen heeft. Geen enkel ander schepsel is daarmee te vergelijken of gelijk te stellen. De mens is als een penning die niet de beeldenaar van de keizer, maar de beeltenis van God vertoont. Geschapen naar Zijn gelijkend beeld. Dat houdt heel veel in. Dat wil zeggen dat de mens Gods vertegenwoordiger is op aarde en namens Hem over heel de schepping mag regeren. Dat houdt in dat hij geschapen is als een kind van God en als tempel van de Heilige Geest. Dat houdt in dat hij geschapen is om God te dienen en in Zijn gemeenschap te leven. De Heere gaf de mens daarvoor kennis, gerechtigheid en heiligheid. Dat wil zeggen dat de mens gaven heeft ontvangen naar hoofd, hart en hand. Dat komt openbaar in het kennen van God, in het heilig zijn voor Hem en in recht voor Hem te leven. Gods beeld. Met het tonen van die penning wil de Heere dus op de mens wijzen. Jullie zijn als zo’n penning, vertonend het beeld van God. Zo zijn jullie immers geschapen. En nu is het waar dat wij allen gevallen zondaren zijn. Door de zondeval zijn we dat beeld kwijt. Hier moeten enkele dingen bij gezegd worden. Enkele spoortjes van dat beeld heeft de Heere nog gelaten. En na de zondeval blijft Hij de mens erop aanspreken dat Hij naar dat beeld is geschapen. Geeft dan Gode wat Gods is. Geef dat aan God wat Hem toebehoort. Omdat we naar Gods beeld zijn geschapen hebben we Hem te vrezen en te dienen en voor Hem te leven. De Heere blijft een gevallen zondaar erop aanspreken. Vertoon dat beeld waarnaar Ik u geschapen heb. Zie, we weten dat sterven Gods ontmoeten is. Dan zal de Heere dat beeld weer opeisen om zo te zeggen. En nu is het het wonder van het evangelie dat de Heere de mens wil herscheppen door Zijn genade. Hij spreekt dat we alleen in het koninkrijk van God kunnen komen tenzij de mens wederom geboren wordt. Dat is wedergeboorte, herschepping dat Heere uit enkel genade om Christus wil dat beeld weer gaat herscheppen. Geef dan Gode wat Gods is. Gijlieden moet wederom geboren worden. Vertoon weer dat beeld. Leef weer als beelddrager tot eer van God.
  2. De Heere Jezus is niemand minder dan de Zoon van God. Hij is het afschijnsel Zijner heerlijkheid en het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheid. Hij is het Beeld van de Vader. Het aangrijpende nu is dat die vraagstellers Hem wel eerbiedig aanspreken, maar dat geveinsd doen, vervuld met vijandschap tegen Hem. Zij erkennen Hem niet als de Zoon van God. Geeft dan Gode wat Gods is. Zie in Mij de Zoon van God, het beeld van de Vader. Zie in Mij de Borg en Middellaar, de Gegevene van de Vader en leer voor Mij buigen. Jullie eren de Vader door Mij te eren en Mij te kennen en te dienen. Hier is een ernstige oproep tot geloof in Hem. Laten we Hem toch erkennen. En wij zullen dat gaan doen in de weg van het geloof. En het geloof is een gave Gods. God wil het geven. Laten wij Hem erom smeken. Hij wil het geloof werken in de kracht van de Heilige Geest door de prediking van Zijn Woord.
  3. Geeft dan de keizer dat des keizers is en Gode dat Gods is. Wat aan God toebehoort, moeten zij niet aan de keizer geven. Christus behoort aan God toe. Wat willen de geestelijke leidslieden van het volk? Zij willen uit vijandschap Hem uitleveren aan de Romeinse stadhouder. Christus vermaant hen dat niet te doen. Maar wekt hen op toch in het geloof onder Hem te buigen. Zo verstaan we deze uitspraak op het niveau van de vraagstellers.
  4. Geeft Gode dat Gods is. Geef aan God wat Hem toebehoort. Deze woorden behelzen een zeer diepe ernst. Er moet aan Gods recht betaald worden. De zonde is te ernstig om er zomaar aan voorbij te leven. Elke zonde begaan we tegen de Heere. Ik heb tegen U, U alleen gezondigd. God heeft naar Zijn Goddelijk wezen een afkeer van de zonde en naar Zijn heilig recht kan Hij niet anders dan de zonden straffen met de eeuwige straf. God kan de zonden niet door de vingers zien. Daarom zeggen wij terecht : Er moet aan Gods recht worden genoeg gedaan. Geeft Gode wat Gods is. Kunt u aan Gods recht betalen? Immers nee. “Heere, hier ben ik, Ik heb een hemelhoge schuld voor U. Want ik heb tegen U gezondigd en Ik heb de straf verdiend. Maar ik heb geen penning om te betalen. Ik ben niet anders dan Uw gramschap waardig.” En weet u nu wat het wonder is? De Vader heeft Zelf voor betaling aan Zijn heilig recht zorg gedragen. Dat deed Hij door Zijn eigen Zoon te zenden. Christus is gekomen om aan het recht des Vaders te voldoen. Hij gaat Gods recht verheerlijken. En dat heeft Hij gedaan. Op Golgotha. Hij riep uit: Het is volbracht. Laten we de toevlucht mogen nemen tot het kruis van Christus om door Hem gezaligd te worden. Het is kruis of munt. Of betalen. Dat kunnen we niet. Dat is door eigen schuld verloren gaan. Of door het kruis gezaligd worden. En dat is enkel genade. Geef aan God wat aan God toebehoort.

 

En zij verwonderden zich over Hem. Dat mag ook wel. Naast de twee mogelijke antwoorden op de strikvraag legt de Heere een derde antwoord wat de vraagstellers niet verwacht hadden. Een antwoord met een diepe inhoud. Jammer, dat zij zich slechts verwonderen. Het komt namelijk op het geloof aan. Geloven we dit woord van Hem? Dan zullen we diep buigen om God onze zonden te belijden. Alle rechten aan onze kant zijn verspeeld. Blijft er genade over om verzoend te worden door de arbeid van voldoening door Christus.

Geeft God dat Gods is.                      

God zoekt uw hart.  

Bron : Kerkbode Kralingse Veer,  september 1998.