Meditatie Zacharia 13:7 (maart 1998)

“Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder en tegen de Man Die Mijn metgezel is, spreekt de HEERE en de schapen zullen verstrooid worden; maar Ik zal Mijn hand tegen de kleinen wenden.”

                                                                                                                   Zacharia 13:7

Ongetwijfeld spreken deze woorden in de bladen van het Oude Testament over het komende lijden van de Heere Jezus. De leer van de verzoening door voldoening is het hart van het christelijk geloof. Luisteren we naar de woorden van de apostel Paulus in de brief aan de Korintiërs. “want God was in Christus de wereld met zichzelf verzoenende, hun zonden hun niet toerekenende en heeft het woord der verzoening in ons gelegd.” En verder: “Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.” De verzoening gaat geheel van God uit. De diepste bron is Zijn eeuwige liefde. Hij heeft Hem tot zonde gemaakt. En dat door toerekening. Zie, Christus heeft in onze plaats volkomen betaald aan het recht van de Vader. Hij is het lam Gods Dat der zonde der wereld wegneemt. Door het geloof in Hem kom ik weer recht te staan voor God en mag ik uit loutere genade delen in de gemeenschap Gods. Van dat plaatsbekledend werk van Christus ten goede van zondaren lezen we in deze bekende woorden van de profeet Zacharia.

Samen met Haggai heeft hij in Juda en Jeruzalem geprofeteerd na de ballingschap. Zacharia is voor het eerst opgetreden als profeet in het tweede jaar van de beroemde Perzische koning Darius I. Deze regeerde van 552-486. In die tijd wekt Zacharia het volk op voortgang te maken met de bouw van de tempel. Hij is dan nog jong. In de hoofdstukken 1 tot en met 8 lezen we de profetieën. Veel jaren later, wel veertig jaren en dan is het ongeveer 480 voor Christus, treedt hij op oudere leeftijd weer op. De woorden in die tijd door hem gesproken treffen we aan in de hoofdstukken 9 tot en met 14. Hij spreekt dan vooral over de komende heilstijd die aan zal breken met de komst van Christus. Die eindtijd zal gericht brengen over de wereldmachten en het rijk van God zal worden opgericht. Die tijd brengt voor de gelovigen eeuwig heil. Maar voor hen die niet geloven in onheil. Zijn woorden in die tijd gesproken zijn samen te vatten met de beide woorden: Gericht en heil.

Door een mens(Adam) is de zonde in de wereld gekomen en door de zonde de dood. Wij zijn allen zondaren. We moeten allen sterven. In het ogenblik van ons sterven komen we te staan voor Gods rechterstoel. De mens gaat immers naar zijn eeuwig huis. Die bestemming is eeuwig wee of eeuwig wel. Dat is de diepe ernst van het leven van een mens. Er is in de Bijbel sprake van hemel en van hel. We lezen bij de profeet Zacharia in het eerste vers van dit dertiende hoofdstuk:” Te dien dage zal er een fontein geopend worden voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinigheid.” Te dien dage slaat op de eindtijd, de tijd die aanbreekt met het Nieuwe Testament. Die fontein die bron is geopend in het bloed van Christus en neemt de schuld en zonde weg. Dan is er geen zonde meer. Dit zal pas volle werkelijkheid zijn na de wederkomst van Christus. De profeet noemt in dit hoofdstuk twee schrikkelijke zonden concreet: afgoderij en valse profetie Die zullen er dan niet meer zijn. We vragen ons af hoe dat mogelijk is. Alleen door Christus, Die aan Gods gerechtigheid heeft voldaan. Daarvan spreken we woorden van deze tekst.

Deze woorden bevatten een aankondiging van een oordeel tegen het volk en haar herder. De herder is de door God aangestelde vorst over het volk en is Gods medearbeider. Nu komt Gods gericht vanwege de zonde over de herder (hij wordt gedood) en over het volk (dat wordt verstrooid en innerlijk ontredderd). Zelfs is de hand des HEEREN in het gericht tegen de kleinen. We denken daarbij aan de armen en geringen onder het volk. Juist zij hebben het meest te lijden van de algemene catastrofe. Of misschien moeten we bij de kleinen wel denken aan heel het volk in tegenstelling tot de vorst. In dat gericht zal tweederde van het volk, dus het grootste deel, worden uitgeroeid. Een derde deel, dus het kleinste deel, zal overblijven en door het vuur van de gerichten heen gelouterd worden en de HEERE aanroepen en tot Zijn volk worden aangenomen.

Zo zal vanwege de zonden Gods gericht komen over herder en over volk. Slechts een overblijfsel zal de HEERE kennen en dat door de beproevingen heen. Deze gerichtsaankondiging kan slaan op de tijd voor Christus’ geboorte. Dat waren zeer zware tijden voor het volk Israël. maar deze woorden vinden hun vervulling in de lijdensweg van Christus. Heel het leven van Christus op aarde betekende lijden voor Hem doch het schrikkelijke van dat lijden was bijzonder aan het einde van Zijn leven. Aan de avond van de laatste donderdag vierde Hij met zijn discipelen het Pascha. Bij het verlaten van de paaszaal, de opperzaal te Jeruzalem, en Zijn gaan in de nacht naar de hof Gethsemane spreekt Christus tot zijn discipelen:” Gij zult allen aan Mij geërgerd worden deze nacht.” Dat wil zeggen dat zij aanstoot zullen nemen aan Hem vanwege Zijn lijden en sterven en zo tot  zonde komen door zich van Hem af te wenden. Dan gaat dus in vervulling:” Ik zal de Herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden.” Zie Matth. 26:31 en Markus 14:22. Nadat de Heere Jezus in hof Gethsemane gevangen genomen is, worden de discipelen verstrooid en zij verlaten Hem allemaal. Wanneer het bittere lijden van Christus begint wordt Hij uit hun kring weggenomen. Hij gaat die weg van het ontzaglijk lijden alleen. Zo is de band weg en valt de groep van Meester en discipelen uiteen. Trouwens, zijn leerlingen verstaan deze weg van lijden niet. Zij stoten zich eraan. Alleen door het geloof is het dat we de lijdensweg van Christus verstaan zullen en aanbidden.

Laten we eerlijk zijn. Wij hebben allen als zondaren het gericht verdiend. De schapen hebben Gods toorn verdiend. Tenvolle. Hebt u hierop amen gezegd als zondaar voor Gods aangezicht? Maar door Gods genade daalt het gericht op Christus neer. Christus gaat deze weg geheel alleen en zo draagt Hij de straf de schapen ten goede.

Zwaard, ontwaak tegen de Herder en tegen de Man Die Mijn metgezel is. De Heere roept het slapende zwaard op tegen Zijn Herder. Het zwaard moet ontwaken. We denken aan hetgeen we lezen in Gen. 3 aangaande de val van de mens. De zondige mens wordt, nadat hij Gods gebod heeft overtreden in ongehoorzaamheid uit het paradijs verdreven. De toegang tot de boom des levens is versperd door de cherubs met een vlammig lemmer van een zwaard. Het zwaard van Gods toorn is tegen ons gekeerd en daardoor is de toegang tot het leven en de gemeenschap Gods geheel gebarricadeerd. Van ons uit is er geen weg naar God terug. Zo is dat. En nu het geheim. Er is een weg van God naar de zondige mens. Dit vindt zijn diepe grond in Gods welbehagen. Dat zwaard van Gods toorn, van Zijn straffende gerechtigheid ontwaakt op Goddelijk bevel tegen “Mijn Herder en de Man die Mijn metgezel is” Als het over de schapen gaat, valt te zeggen, dat zij allen door dit zwaard verteerd moeten worden. Nu zegt de Vader dat het zwaard moet ontwaken tegen de Herder, de goede Herder, Die Zijn leven stelt voor de schapen. Zie Joh. 10 : 11. Christus is door de Vader tot Borg en Middellaar aangesteld. Hij kreeg de opdracht om Zijn leven te geven en te stellen tot een rantsoen voor velen. Mijn Herder, zegt de Vader. Hij heeft Hem tot Borg gegeven. Hij wordt genoemd: De Man Die Mijn metgezel is. Het woord dat met Man vertaald is, is een heel voornaam woord. Zo is Hij mens en God in één Persoon. Als mens heeft Hij geleden en door Zijn Godheid is Hij daarbij ondersteund. De Vader gaf Zijn veel geliefde Zoon. Naar Gods bevel en wil ontwaakt het zwaard tegen Christus. De zonden zijn Hem toegerekend. Hij is tot zonde gemaakt. En door de plaatsbekledende arbeid vanwege de Hem toegerekende zonden komt Hij onder Gods recht. Hij gaat de weg van lijden en kruisdood tot volkomen betaling aan het recht van de Vader. Door Zijn volbrachte arbeid is er sprake van verzoening door voldoening. Dit zwaard is het zwaard van Gods toorn, de vloek der wet en van Gods straffende gerechtigheid. Christus staat voor de Vader en draagt het gericht. En Hij heeft voldaan. Dat komt openbaar in Zijn opstanding. Langs deze weg is er een fontein geopend tegen de zonden en tegen de onreinheid.

In dit vers lezen we dat naar Gods bestel het oordeel neerdaalt op de Herder. Christus draagt de toorn alleen en doet de Zijnen delen in Zijn gerechtigheid. In de nacht waarin Hij verraden werd sprak Hij tot Zijn discipelen: ”De schapen der kudde zullen verstrooid worden. Maar nadat Ik zal opgestaan zijn, zal Ik u voorgaan naar Galilea.” Zie Matth. 26 : 31 en 32. Hij heeft de pers alleen getreden. De discipelen zijn verstrooid. Doch Christus heeft ze na Zijn opstanding weer bijeen vergaderd en zo mogen zij delen in de door Hem verworven zaligheid.

De kerk leeft verstrooid over heel de wereld. Christus vergadert de Zijnen uit alle windstreken. En daar zullen er komen van oosten en westen, van noorden en zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods. Christus gaf dan ook bij Zijn hemelvaart de opdracht het evangelie te prediken aan alle creaturen. De kerk is verstrooid vanwege druk en vijandschap van de kant der vijanden. Het is hier een strijdende kerk. Zij leren hun kruis te dragen achter Christus aan. Maar Christus bewaart hen en vergadert ze om ze straks te brengen in het Rijk van eeuwig leven. Christus heeft niet alleen in de weg van Zijn plaatsbekledende arbeid de volle zaligheid verdiend en verworven, maar Hij vergadert de Zijnen uit alle windstreken opdat zij delen mogen in Hem en al Zijn weldaden. Hij verricht dat kerkvergaderend werk door Woord en Geest. Hij is het die door Zijn Geest het Woord krachtig doet zijn in de harten van zondaren. Dat Woord laat mij zien wie ik ben in mijn vloek en verlorenheid, en leert mij dat ik dat wraakzwaard van Gods gerechtigheid verdiend heb. Geen enkele vrucht van mij kan voor des HEEREN aangezicht bestaan en alles stelt mij volkomen schuldig. Dat is buitengewoon bang. Zo schrikkelijk is de zonde. Ik bega de zonde tegen de allerhoogste Majesteit, tegen God en daarom moet Hij die zonde straffen met de allerhoogste, dat is de eeuwige straf. Wie kan voor Hem bestaan? Hier is niemand die zorgt voor mijn ziel. Maar o wonder. Het zwaard is ontwaakt tegen de Herder en Hij heeft volkomen voldaan. Christus vergadert zondaren om Hem heen en door het geloof mogen zij delen in de door Hem verworven zaligheid.

Hij zal Zijn hand tot de kleinen wenden. De kleinen zijn Zijn discipelen. Ze zijn arm en veracht. Het zijn niet vele edelen. Klein in getal. Klein in zichzelf. Door ontdekking leren zij zich klein weten voor de Heere en worden in eigen waarneming steeds kleiner. De Heere doet hen delen in de zaligheid om door het geloof uit Christus te leven en de Vader te leren kennen.

Niet allen delen in dat heil. De Heere vergadert zondaren uit Joden en heidenen. Het is het overblijfsel naar de verkiezing der genade. Het grootste deel komt om vanwege eigen ongeloof. Verloren gaan is geheel te schrijven op rekening van eigen schuld. De rest bekeert zich. Wel in het vuur. De weg der kerk gaat door oordelen, moeiten en gevaren en beproevingen. Zie bijv. Jes. 43 : 2. Maar zij worden door deze beproevingen gelouterd en leren meer en meer aan alles van henzelf en van de wereld sterven. Door de beproevingen leren zij als een arme zondaar Hem de zonden te belijden om meer en meer uit Christus te leven. Het zal Zijn Naam aanroepen. Dat wil zeggen uit de nood tot Hem roepen om genade en ontferming. Zij zullen leren Hem en Hem alleen te aanbidden. Het overblijfsel, dat zijn de kleinen, ontvangt de grote genade van de aanneming tot kinderen. De HEERE zegt : Gij zijt Mijn volk. Gij zegt : De HEERE is mijn God. Zie, deze genade weldaden zijn een vrucht van het lijden van Christus. Het zwaard van Gods toorn trof Hem opdat ik Zijn liefde zal ervaren. Christus is van God verlaten opdat wij nimmermeer van Hem verlaten zouden worden. Welk een heerlijk evangelie.

Bron : Kerkbode Kralingseveer, maart 1998.