Meditatie Johannes 21:1 (mei 2006)

De verschijning des Heeren aan de zee van Tiberias

“Na dezen openbaarde Jezus zichzelf wederom de discipelen aan de zee van Tiberias. En Hij openbaarde zich aldus.”

                                                                                                                                  Johannes 21:1

Eenheid

Hetgeen in dit Schriftgedeelte verhaald wordt is een bekende geschiedenis. Toch is het steeds weer goed en boeiend het te lezen en ernaar te luisteren. Er gebeurt veel. We lezen van een wonderbare visvangst en een wonderbaal gastmaal. Sommigen zijn van mening dat het om twee verschillende gebeurtenissen gaat. Maar de evangelist vertelt ze ons zo ineen geschoven dat hij ons duidelijk wil maken dat ze bij elkaar horen. We gaan daarom uit van de eenheid van dit gedeelte.

Waar gaat het om?

We doen goed om ons af te vragen wat de hoofdstrekking is. Waar gaat het in dit gedeelte wezenlijk om? Een predikant doet goed zich bij de voorbereiding van zijn preek af te vragen welke de hoofdboodschap van de tekst is. Wat deze geschiedenis betreft tasten we niet in het donker. We lezen in de verzen 1 tot 14 tot drie maal toe dat Jezus zich openbaarde. Na dezen openbaarde Jezus zichzelf wederom aan de discipelen, zo begint dit hoofdstuk. In vers 14 lezen we dat dit de derde maal was dat Jezus aan zijn discipelen is geopenbaard nadat Hij van de doden opgewekt was. De eerste keer was aan de avond van de dag van de opstanding en de tweede keer op de volgende zondag. De derde maal is dus aan de Zee van Tiberias. In vers 1 staat er nog eens: En Hij openbaarde zich aldus.

Openbaring

Aan de oever van de zee openbaart Jezus zijn middelaarsheerlijkheid. Hij is gekruisigd en opgestaan. Hij staat er als degene die gestorven is en als de grote overwinnaar die opgestaan is. Hij openbaart zich aan Zijn discipelen. Het evangelie begint met de prediking van Johannes de doper. Johannes kende Jezus niet. Jezus was opgegroeid in Nazareth en Johannes in de woestijnen. Maar God Die hem heeft gezonden had gezegd: op welke gij de Geest zult zien nederdalen en op Hem blijven Deze is het die met de Heilige Geest doopt. Jezus is tot zijn doop gekomen en de Geest is in de gedaante van de duif op Hem nedergedaald om op Hem te blijven. Op deze wijze heeft Johannes Hem leren kennen. Het doel van zijn dooparbeid is opdat Hij, de Messias, aan Israël zou geopenbaard worden. (1,31) Zijn doop riep op tot geloof in Hem die na hem zou komen. Johannes heeft Hem  mogen aanwijzen als het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt. De Heere Jezus heeft in de nacht waarin Hij verraden werd op weg met Zijn leerlingen naar de hof Gethsemané een gebed uitgesproken. Daarin zei Hij tegen Zijn vader: Ik heb Uw naam geopenbaard. (17,4) Christus openbaart Wie de Vader is. Daarom zegt Hij dan ook: Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien.

Wanneer Jezus hier verschijnt en staat aan de oever van de Zee van Tiberias wil hij zichzelf in Zijn heerlijkheid openbaren aan zijn discipelen opdat ze meer en meer tot geloof in Hem komen. Het doel van Gods Woord is de openbaring Gods in Christus. Heel de schrift getuigt van wie de Heere Jezus is. Zo ook in de prediking. Door de prediking openbaart Jezus zich en komt Hij tot ons bekleed met Zijn beloften. Met welk doel? Waarom? Opdat gij gelooft.

Op de oever van de levenszee

Jezus staat op de oer van onze levenszee. Elke keer als we de Bijbel lezen of als we onder de prediking verkeren of temidden van de roepstemmen van het leven. Daarbij kunnen er twee zaken gebeuren. Of we gaan er aan voorbij. Dat is hoogst aangrijpend, omdat we dan door eigen schuld verloren zullen gaan. Of we komen tot geloof. Dat is louter genade om gelovig in belijdenis van zonden en met onze verlorenheid tot Hem te vluchten opdat we deel krijgen aan Zijn heerlijkheid.

Zeven discipelen

In deze geschiedenis openbaart Jezus Zijn heerlijkheid als de middelaar. Wij ontmoeten zeven discipelen die bijeen zijn in Galilea. Ze zijn hier op bevel van de Heere zelf. Simon Petrus, de discipel die een nieuwe naam heeft gekregen. Petrus, Rotsman. De man die zei: Tot wie zullen we heengaan, Gij hebt de woorden van het eeuwige leven. Nu de Meester er niet is, heeft hij min of meer de leiding. Thomas, genaamd Didymus, dat is tweeling. Thomas is zijn Aramese naam met de Griekse vertaling Didymus erbij. We spreken wel van de ongelovige Thomas. Maar hij is de man die tot de opgestane Christus, die aan de discipelen verscheen zei: Mijn Heere en mijn God. Vervolgens Nathanaël die van Kana in Galilea was. Nathanaël was de man die beleed: Rabbi, gij zijt de Zoon van God, gij zijt de koning Israëls. (1,51). Hij was afkomstig van Kana alwaar de Heere Zijn heerlijkheid openbaarde door water in wijn te veranderen. De zonen van Zebedeus, Jacobus en Johannes. Verzwijgt Johannes met opzet zijn naam uit bescheidenheid? En nog twee anderen. Waren dat soms Andreas en Filippus? Als dit zo is dan zien we hier de eersten zeven discipelen die genoemd worden in Handel. 1:13. Behalve Thomas zijn het echte Galileeërs.

Ik ga u voor naar Galilea

Waarom zijn ze aanwezig bij de zee van Tiberias? Ze zijn hier in gehoorzaamheid aan het woord van Jezus. Nadat Ik zal opgestaan zijn ga Ik u voor naar Galilea, daar zult gij Mij zien, had Jezus immers tegen hen gezegd. De engelen hadden bevolen aan de vrouwen in het lege graf om dit aan de discipelen te zeggen. Jezus had bij de paasmaaltijd in de opperzaal tegen hem gezegd dat zij allen aan Hem in deze nacht geërgerd zouden worden. Zo was het geprofeteerd door de Zacharia. (13,7) “Zwaard, ontwaak tegen mijn Herder en tegen de Man die mijn metgezel is, spreekt de HEERE der heirscharen.” Dat is het wraakzwaard van Gods rechtvaardigheid. Ik heb van wege mijn zonden verdiend door het zwaard eeuwig getroffen te worden. Het is ontwaakt tegen Christus en het heeft Hem getroffen op Golgotha. In deze weg heeft Christus voldaan en alle heil verworven. “sla die Herder en de schapen zullen verstrooid worden.” De schapen, de discipelen, zouden zich aan Hem stoten en Hem allen verlaten. Zo is het ook gebeurd. We weten dat zelfs Petrus Hem tot drie keer toe heeft verloochend. Zij verstonden de weg van Zijn vernedering en lijden niet. Dat is een kwaal die we bij meerderen vinden. Wie wil er nu aan door een vernederende Borg als een totale zondaar gezaligd te worden? Het gelooft leert zingen: In het kruis zal ik eeuwig roemen en geen wet zal mij verdoemen, Christus stierf voor mij. “Maar Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.” Elke gelovige zal zich klein en kleiner voor God weten. De grote Herder vergadert ze en wendt Zijn hand in ontferming tot hen. Hier staat Hij aan de oever van de Zee en openbaart zich aan Zijn discipelen als de Herder om de kleinen te vergaderen opdat ze delen in de vruchten van Zijn lijden en in Zijn heerlijkheid. Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.

Dood en opstanding

Christus heeft door Zijn dood alles verworven en in Zijn opstanding brengt Hij het aan het licht. Hij is middelaar van verwerving en van toepassing. Beide zaken zijn niet van elkaar te scheiden. Als de grote herder vergadert Hij de zijnen opdat ze delen in Zijn weldaden. Hij vergadert zondaren en bewaart, onderhoudt en voedt hen. Ook leidt Hij hen ten goede in wegen van beproeving en kastijding. Zien we Hem staan aan de oever van onze zee als de Herder? Hij heeft in Zijn vernedering alles verworven en als de Opgestane deelt Hij het uit aan allen die tot Hem de toevlucht nemen. Ik zal Mijn hand tot de kleinen wenden.

Nog een vraag. Waarom heeft Hij hen naar Galilea bevolen? “Het volk dat in duisternis wandelt zal een groot licht zie; degenen die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.” (Jesaja 9,1)

Ik ga vissen

We ontmoeten zeven discipelen bij de zee van Tiberias in afwachting van de komst van Christus. Ongetwijfeld zijn alle elf naar Galilea vertrokken, maar de anderen zullen elders verkeren. Simon Petrus zegt: ik ga vissen. De anderen zeggen tot hem: Wij gaan met u. zij zijn immers Galilese visserlieden. Petrus heeft een eigen schip. Het oude vissersbloed bruist weer. Zij willen de wachtenstijd niet in ledigheid doorbrengen. Dat mag en kan niet. De apostel Paulus heeft in zijn eigen levensonderhoud voorzien als tentenmaker. De Thessalonicenzen wilden met het oog op de wederkomst niet meer werken. De apostel vermaande hen. We kunnen denken aan de uitspraak van Maarten Luther. Als morgen Christus wederkomt, plant ik vandaag nog een appelboom. De discipelen gaan aan de slag. Zij moeten toch in hun levensonderhoud voorzien. Er behoort brood op de plank te komen.

Zij vangen niets

Zij stappen in het schip en varen de zee op. Het zijn vaklui. Vissen doe je ‘s nachts. Maar die nacht vangen ze niets. Geen visje. In de morgenstond, als de nacht gaat wijken, staat Jezus aan de oever van de zee. De discipelen zullen wel een figuur ontwaard hebben, maar ze weten niet dat het Jezus is. We komen dit in de opstandingsgeschiedenis meer tegen. De Emmaüsgangers werden gehouden dat ze Hem niet kenden. Dat was een directe daad van de Heere. Maria Magdalena dacht dat Jezus, de achter haar stond, de hovenier was. Vroeg in de morgen is het nog wat nevelig en niet geheel licht. Daarom herkenden ze de Heere niet. Maar zou het toch ook niet zo zijn dat ze min of meer ook gehouden werden Hem nog niet te herkennen? Of komt het door de ongelovigheid die leeft in het hart?

Zij vinden

Jezus roept hen toe: Kinderkens, hebt gij niet enige toespijs? Vis werd gegeten bij het brood. Jongens, hebben jullie wat gevangen, vraagt Jezus hen, zodat je vis bij het brood kunt eten? Korzelig antwoorden ze: nee, het zit ze niet lekker dat het net leeg is. Dat is hen nog nooit overkomen. Werpt het net aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden, zegt Jezus tot hen. Aan de rechterzijde, stuurboord geheten, is een soort grote roeispaan bevestigd bij het achtersteven. Dit fungeert als roer. Zo staat de roerganger met de rug naar de linkerzijde, naar bakboord. De rechterzijde is niet geschikt om het net uit te werpen. Maar in gehoorzaamheid aan de woorden van Jezus, voor hen nog op dit moment een vreemdeling, doen ze het. Zoveel kracht gaat er van Zijn woorden uit. De Heere bewerkt het hart en bestuurt de vissen. Zij werpen het net uit en kunnen het niet meer trekken vanwege de menigte van de vissen.

Petrus en Johannes

Johannes en Petrus reageren er beiden anders op. Verschil in karakter. Johannes is een denker. Petrus is de man van de daad. Johannes blijft niet staan bij de weldaden, maar ziet er dwars doorheen op Jezus zelf. Het is de Heere, zegt hij tegen Petrus. Laten we altijd leren en beoefenen op te klimmen tot de weldoener om Hem de eer te geven. Petrus handelt. Hij wil direct bij zijn Meester zijn. Hij heeft over het naakte lichaam zijn opperkleed gegooid. Zo was hij aan het werk. Hij omgordt zich om zich gemakkelijker te kunnen bewegen. Stapt over boord naar de oever toe regelrecht op de Heere af. Johannes weet en gelooft dat het de Heere is. Petrus wil bij de Heere zijn. Ik ben op hem jaloers. O ja wel, alles kan er zijn in het leven, maar het kan zo lauw zijn. Diep in het hart leeft er geloof, maar het kan alles een sleur zijn. Was er meer brandende liefde en vuur des Geestes om dwars door alles heen naar de Heere uit te gaan en meer en meer Zijn gemeenschap te ervaren.

De macht van Christus

We zien hier twee zaken. De macht van Christus. Hij is de opgestane. Hij heeft alle macht. Hij beschikte de school vissen en deed deze in het net gaan. Tegelijk zien we de onmacht van de discipelen. Zij vingen niets die nacht. Een leeg net. Dit is een grote les om te leren. Onze dagelijkse arbeid vraagt aandacht en inspanning. Maar we moeten daarbij oppassen op niet eigen kracht en wijsheid te bouwen. Laten we ons dagelijks werk doen in afhankelijkheid van de Heere. Zonder mij, zegt Hij, kunt gij niks doen. De discipelen worden door de Heere de wereld ingestuurd om het evangelie te gaan prediken. Maar ze moeten leren dit niet in eigen kracht te doen of te kunnen doen. Bij hen een leeg net. Het gaat alleen door de kracht van de opgestane Christus. Een gelovige kent de geestelijke strijd tegen de doodvijanden. In de strijd tegen de satan, de zonden en de dood staan we machteloos. Een leeg net. We kunnen alleen overwinnen door de kracht van Christus. In Hem meer dan overwinnaars. Wie de Heere kent en vreest begeert voor Hem te leven. Maar helaas, uit ons geen vrucht in der eeuwigheid. een leeg net. De bekering is geen prestatie van onszelf. Onze vrucht wordt in Christus gevonden. In Hem is al mijn heil. In Hem onze heiligheid.

In die nacht vingen ze niets. Maar de Heere had gezegd het net aan de rechterzijde uit te werpen, dan zult gij vinden. Ze kregen de vissen van Hem, zij vonden slechts. Maar zij vonden door die weldaden heen ook de Heere. Hij openbaarde Zijn heerlijkheid. Hij is de Middelaar.

Geschenk van Christus

De andere discipelen brengen het schip naar de oever en slepen het net achter zich mee. Ze zijn 200 ellen, ongeveer 100 meter, van de oever verwijderd. Aan wal gekomen zien ze dat er al een kolenvuur ligt met vis er op en brood erbij. De maaltijd ligt er al. Kant en klaar. De Heere zorgt voor alles. Jezus zegt tot hen: brengt van de vissen die gij nu gevangen hebt. Zij hebben die gevangen door de kracht van Christus. Petrus, de eigenaar van het schip, stapt op en trekt het net het land op. Er valt een menigte van vissen uit. Ze worden geteld. Men telt 153 vissen. Een geweldige vangst. Het net scheurde ondanks de vele vissen niet. Een wonderbare visvangst. Van de gevangen vissen zullen er op het kolenvuur gelegd zijn om gebakken te worden. Deze maaltijd spreekt van genade. Alles het geschenk van Christus.

Komt herwaarts

Komt herwaarts, houdt het middagmaal. De tijd voor het ontbijt is intussen verstreken, het is tijd geworden voor de lunch. Houdt het middagmaal. Jezus is de Gastheer die Zijn discipelen onthaalt op een gastmaal. Jezus openbaart zich aan de oever van de zee als een Herder die zijn schapen vergadert. Hij openbaart zich in de wonderbare visvangst in Zijn almacht en in de wonderbare maaltijd als de hemelse Gastheer. In Johannes 6 is verhaald van een andere wonderbare maaltijd. Er waren slechts twee vissen en vijf broden. De Heere heeft een zeer grote schare daarmee gevoed. Behalve de vrouwen en de kinderen waren er vijfduizend mannen. Jezus nam de broden en gedankt hebbende gaf Hij ze de discipelen en zij aan hen die er zaten. Zo ook met de visjes. Zij werden allen verzadigd en er bleven nog 12 korven over. Nu geen vermenigvuldiging, maar wel het wonder dat HIJ zorgde voor vis en brood.

De Gastheer

Komt herwaarts, houdt het middagmaal. De Gastheer is de Heere Jezus, de Middelaar, de Opgestane. Er is in Hem een volheid. We vergeten nimmer dat Hij door Zijn lijden en sterven voor ons heeft verworven dat we kunnen eten en drinken en ons kunnen kleden. Maar vooral nodigt Hij voor de geestelijke maaltijd. De maaltijd spreekt van gemeenschap. De nodiging gaat uit: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. In de prediking wordt de evangelietafel aangericht met de spijzen van Christus zelf. Mijn vlees is waarlijk spijs en Mijn bloed is waarlijk drank. Hij nodigt ellendige zondaren. Hij nodigt gevallen zondaren. Hij nodigt u allen. Komt, proeft en smaakt dat God goed is. Zij komen eten, die niets meer hebben, die om zijn gemeenschap verlegen zijn om te ontvangen de vruchten door Hem verworven.

En niemand van Zijn discipelen durfden te vragen: Wie zijt Gij? Zij schamen zich vanwege hun voorgaande ongeloof. Dat behoeft niet meer gevraagd te worden. Hier is stille verwondering. Hier is geloof. Wetende dat het de Heere is. Zij hebben niet alleen vis gevonden, maar de Heere zelf. Zie eens. Welk een trouw van de Heere. Nog voordat de eigenlijk ontmoeting plaats zal vinden is de Heere nu al drie malen aan hen verschenen. Hij is de eerste. Hij verlangt naar de Zijnen, meer dan omgekeerd.

Bron : Kerkbode Kralingseveer, mei 2006.