Mijn ziekbed (89)

 

Mijn aardse huis wordt afgebroken. Elke nieuwe dag betekent weer inleveren. Elke dag weer zeer vermoeid. Mijn krachten vloeien weg. Mijn gedachten trekken zowel achteruit als naar voren. Het eerste staat in dienst van het laatste.

 

Achteruit wil zeggen zoveel als mijn overzien. De drukte van deze wereld om mij heen vervaagt. Trekt weg. Ik mag gewezen worden op de leidingen en de werkingen des HEEREN in mijn leven. Een groot voorrecht dat mijn wieg stond in een christelijk gezin. Dat mijn ouders mij christelijk hebben opgevoed. Dat ik heel mijn leven heb mogen verkeren op het erf van de kerk.

Vooruit. Nee, niet zozeer ben ik bezig met het sterven op zich, maar met het Hiernamaals.  Wat zal dat toch zijn om je ogen op te slaan in de eeuwigheid. Om te staan voor de rechterstoel des HEEREN in al Zijn heerlijkheid en Majesteit. Ja, om de Borg en Middelaar te mogen aanschouwen in al zijn schoonheid. Het Lam staande als geslacht. Zal Hij dan spreken: “Kom, gij gezegende van Mijn Vader, beërf het koninkrijk u weggelegd van voor de grondlegging der wereld.” Ongelooflijk. Eeuwig wonder. Een zondaar Thuis en dan geen zondaar meer. Ik zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheen.  

 

Mijn leven overzien. Mijn kerkelijke wortels liggen grotendeels in de Chr. Geref. kerk te Scheveningen. In deze kerk , de Thaborkerk, is ons huwelijk bevestigd. De dienst werd geleid door een oom van mijn vrouw, ds.H.van Leeuwen (1906-1988). Een volop Schriftuurlijke prediker en zeer  pastoraal bewogen. Hij was een beminnelijk mens. Na ons trouwen woonden we op Flakkee. Mijn werkkring lag bij het onderwijs in Sommelsdijk.  

 

Tijdens de oorlog woonden mijn ouders in Den Haag-West. Kerkelijk behoorden we tot de Chr. Geref. kerk aldaar aan het Ponomaplein. Als predikant was aan de gemeente verbonden ds. N. de Jong (1899 – 1980). Een begenadigd spreker. Zijn preken waren beeldend en gunnend en christocentrisch. Wat kon hij de Borg en Middelaar uitstallen en schilderen in Zijn schoonheid en noodzakelijkheid en onmisbaarheid.

Na de oorlog keerden mijn ouders terug naar Scheveningen. Zij vestigden zich aan de rand van Duindorp, een wijk van Scheveningen.

Alvorens een nieuwe kerk in gebruik genomen werd kwam de gemeente samen op zondag in een gymnastiek lokaal aan de Doornstaat. Op zaterdagmiddag tegen de avond hielpen velen om de stoelen klaar te zetten. In de winter stond midden in de zaal een grote potkachel. Op zondag liepen we heen en weer. Vlak bij de zaal zag je dan vrouwen in klederdracht aan komen kuieren. Mooi gezicht. De zaal zat steeds goed gevuld tot overvol. Onze predikant was ds.J.C. van Ravenswaay (1918-2002), een bevindelijke prediker met een heldere verbondsvisie. Ongetwijfeld heeft hij ons ook geestelijk gevormd door zijn catechetisch onderwijs en prediking. We moesten voor catechisatie veel uit het hoofd leren. Dankbaar  moet je daarvoor zijn. Veel van het geleerde komt in gedachten terug. Samen met mijn vrouw (indertijd nog verloofde) hebben we bij hem belijdenis afgelegd. In deze zaal heb ik voor het eerst mijn vrouw ontmoet. 

 

Nu even terug. Op een zekere zondag na de wandeling kwamen we bij de school aan en zagen twee ouderlingen buiten met elkaar in gesprek. We sloten ons er bij aan. De een zei tegen de ander: “Ben jij ook zo in jezelf teleurgesteld?” Hij bevestigde dat. Ik stond er bij en begreep dat  niet. Ze zijn toch ouderling? Twee kinderen van de HEERE! Zij konden over de wegen des HEEREN dierbaar spreken. Vol respect keek ik naar ze op. En nu dit?! Ik zie ze nog staan. Ik hoor hun stemmen nog.

Ik heb zo in de loop der jaren her en daar lezingen gehouden. Sommigen verweten mij wel dat ik een negatief mensbeeld heb. O ja wel, er zijn nog veel goede zaken bij een mens aan te treffen. Doch die zijn te schrijven op rekening van de goedheid des Heeren en de algemene werkingen van de Heilige Geest. Dat neemt niet weg dat ik tot in de wortel toe in mijn natuurlijk bestaan een zondig mensenkind ben. Vleselijk. Verkocht onder de zonden. Uit mij geen vrucht in der eeuwigheid.

De kern van de Bijbelse boodschap is voor mij de rechtvaardiging van de goddeloze door het geloof in Jezus Christus. “Nu weet ik zo zeker als gewis dat Christus alleen mijn gerechtigheid is.”. In deze dagen vervult dit mijn leven. In mijzelf is er niets dat voor de Heere kan bestaan. Steeds maar weer word ik heen gewezen en gedreven naar onze Borg en Middelaar. Hij is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend. Zulk Een is mijn L:iefste. Dan mag ik mij in het geloof neerleggen op Zijn gerechtheid. “Zijn gerechtigheen zijn de losprijs der ziel en anders geen.” Een ware uitspraak die ik in de kerk te Scheveningen nogal eens van de preekstoel hoorde.  

Onder veel kerkmensen ontwaar ik een verschuiving helaas. De rechtvaardiging van de vrome mens. Men is zo druk in de weer met de heiliging dat men de rechtvaardiging voorbij gaat.

 

Ik vertelde een vorige keer dat ik ’s-nachts nog al eens opzit aan de tafel in de huiskamer. Enkele nachten terug zat ik er en lepelde wat uit een schaaltje met yoghurt. De Bijbel lag binnen handbereik en ik zocht de geschiedenis van de Emmausgangers op. In de jaren dat ik liep met mijn roeping tot het ambt en voordat ik mij ging aanmelden voor het admissie-examen in Apeldoorn hield dit Schriftgedeelte mij intensief bezig. Kerntekst acht ik de uitspraak van de Heere Jezus. “Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan?” Onderstreep het woordje “moest”. Het moest gebeuren naar Gods raad. Maar ook om volkomen te kunnen voldoen aan Gods gerechtigheid. Of door onszelf of door een ander. Door De Ander. Kerst is geen romantiek. Christus kwam in onze verlorenheid. In ons doodsbestaan. Hij werd geboren in een beestenstal. Zo beschikte de Vader dit. Zijn weg liep van de kribbe naar het kruis. Hij heeft in deze weg van vernedering tot in de dood alles volbracht en volkomen voldaan. In mijn jeugd heb ik een geoefend kind van de Heere horen zeggen: “Nu word ik zalig met de armen over elkaar in een leunstoel.”

 

Zo maar wat gedachten. Vanuit een vermoeid lichaam. Vanuit een versufte geest. Vanuit een  vredig gemoed. Jezus Uw verzoend sterven blijft het rustpunt van mijn hart.  Dank voor uw meeleven, ook via de mailtjes. Het is mij niet mogelijk ze alle te beantwoorden. U neemt mij dat niet kwalijk. Weet dat we er nauwgezet notitie van nemen.

Nu reis ik getroost onder het heiligend kruis,

Naar het erfgoed daar Boven in het Vaderlijk Huis.

Mijn Jezus geleidt mij door de aardse woestijn,

Gestorven voor mij! Zal mijn zwanenzang zijn.

 

Van ons beiden een hartelijke groet