Mijn ziekbed (96)

Een mens is geschapen naar Gods beeld, al ware het kroonjuweel van de schepping. Helaas is de zonde tussenbeide gekomen en nu ligt dat beeld Gods als gruzelementen ter aarde. Slechts enkele spoortjes zijn nog aanwezig. Wat wil het zeggen dat wij naar Gods beeld geschapen zijn? Dat heel ons menselijk bestaan op God gericht is. We zijn geschapen als een kind van onze hemelse Vader, als een tempel van de Heilige Geest, om God te dienen. Dat is ook het allerhoogste doel van de mens, God dienen. De Bijbel spreekt van wedergeboorte, van wederbarende genade, van het levensvernieuwende werk van de Heilige Geest. Komt het in de kern niet daarop neer, dat door God drie-enig het beeld Gods om Christus’ wil, weer hersteld wordt. Hier in beginsel. Oh, wat zal dat zijn op de nieuwe aarde. Helemaal van God vervuld, op Hem gericht, in Zijn gemeenschap leven. Alles genade. Vrucht van de arbeid van Christus. We hebben net Pinksteren gehad, overdacht de uitstorting van de Heilige Geest. In de handen van Christus ligt zowel de verwerving van de zaligheid als de toepassing. Beiden liggen in Zijn handen. Hij heeft alle zaligheid in de weg van de vernedering verdiend. En nu Hij zit aan de rechterhand des Vaders, verheven in heerlijkheid, verricht Hij zijn toepassende arbeid. Hij vergadert Zijn kerk door Woord en door Geest. Daarom heeft Hij ook de Heilige Geest uitgestort, van de Vader. En Die zal in alle waarheid leiden, Hij zal in zondaarsharten Christus verheerlijken. En dan gaat het om twee zaken, twee kernzaken: jezelf kennen en God kennen. Zo werkt de Heilige Geest door het woord dat uit in het hart. Denk aan Augustinus. In zijn boek Belijdenissen: ‘Ik ben tot U geschapen. En dat begeer ik, U te kennen en mijzelf te kennen, anders geen’. Denk ook aan Calvijn in de aanhef van zijn Institutie dat dit alleen voor ware vroomheid gehouden kan worden, jezelf kennen en God kennen. Die twee zijn nauw aan elkaar verbonden. Jezelf kennen in wie je bent om ook meer en meer Christus te leren kennen, in al Zijn dierbaarheid, gepastheid en volkomenheid.

Men vraagt vaak: hoe gaat het nu met u? Ja, hoe zal het nu gaan. De laatste weken merk ik heel sterk de afbraak van mijn aards bestaan. Heel mijn leven heeft de Heere mij geleerd wie ik ben, een totale zondaar, die voor God niet kan bestaan. En tegelijkertijd de heerlijkheid en dierbaarheid van Christus. Maar juist in deze laatste weken en maanden wordt dat zo verdiept! Meer en meer ga ik inleven mijn zondig bestaan, tot de laatste snik toe, denk ik. Wie is een mens eigenlijk? ‘Ik ellendig mens wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods’. Des  te meer drijft ons dit uit naar die dierbare Christus. In Hem is het leven, in Hem is de zaligheid. En dan is het wonder dat ik als totale zondaar rusten mag in het volbrachte werk van Christus. Jezelf kennen en Christus kennen. Door Gods genade heb ik vele jaren het evangelie mogen verkondigen. Door Gods genade heb ik op Zijn leerschool geestelijke dingen mogen leren. Juist die twee, wie ik zelf ben en blijf en de dierbaarheid van Christus, hoe alle zaligheid bij Hem ligt. Ik heb het mogen prediken, maar in deze weg van ziekte, wordt dat zo verdiept. Ik moet denken, wat blijft dat zondig bestaan en de aanvallen van de duivel, die ons van de Heere wil afrukken en de machteloosheid in jezelf, maar de overwinning in die dierbare Christus.

Paulus schrijft, in 2 Korinthe 5, ‘Want ook wij die in deze tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde’. We zijn nog in deze tabernakel, in deze tent. Daarin wordt getekend, ons sterfelijke, ons zondig, ons gevallen bestaan, het is maar een tentwoning, meer niet. En in deze tabernakel zuchten wij, bezwaard zijnde. Bezwaard zijn vanwege ons sterfelijk bestaan, dat deze tabernakel wordt afgebroken, dat we sterven moeten, het lichaam afleggen. Bezwaard zijnde vanwege mijn bedorven, gevallen bestaan. Uit mij geen vrucht meer in der eeuwigheid. En schrijft hij: ‘nademaal wij willen niet ontkleed worden’. Gaat het dan daarom? Alleen ontkleed? Dat heel het menselijk bestaan wordt afgebroken? En dan? Dat heel je bedorven bestaan wordt opengelegd? En dan? Zo voor God verschijnen? Ontkleed.... Is dat het waar het om gaat? Is dat het doel? Oh ja wel, laat ik maar voor God ontkleed worden, niets zijn. Dan kun je voor God niet bestaan, maar daarom is dat het einddoel niet. Het einddoel is niet de afbraak van het lichaam. En het einddoel is ook niet de totale ontdekking en ontlediging. Maar..... Maar.... ‘Nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden’. Daar gaat het om. Bekleed met de gerechtigheid van Christus. Bekleed met de heerlijkheid. Het beeld weer hersteld. Naar lichaam en ziel Hem toegewijd. Voor Hem leven. Overkleed. Straks in de hemel, wat zal dat zijn? In beginsel: geen zonde, geen dood, geen kanker, geen ziekte, geen rouw. Geen zonde meer. Geen satan meer. Dan is het eeuwig Hem dienen. Nog in beginsel! Volkomen op de nieuwe aarde. Daar met lichaam en ziel Hem eeuwig grootmaken. Paulus zegt: ‘Opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde’. Dan is het sterfelijke weg, de vergankelijkheid weg. Het eeuwige leven. Dan gaan we zingen: ‘Door U, door U alleen, om het eeuwig welbehagen’. Ik verlang daar naar, ik hijg ernaar. Alleen genade, dat zulk een zondaar thuis mag komen. De sterfelijkheid is verslonden, helemaal weg. Eeuwig leven, ‘k Zal eeuwig zingen van Gods goedertierenheid’.

Van ons beiden de hartelijke groeten.