Paulus aan Rome 05

Paulus verlangt naar Rome (1/6) 
“Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus  Christus over u allen dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld. Want God is mijn getuige, Welke ik dien in mijn geest in het evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder nalaten uwer gedenk.”
“Alzo hetgeen in mij is dat is volvaardig om u ook die te Rome zijt het evangelie te verkondigen.”
Romeinen 1, 8 – 15.  
 
Bij de verklaring van de bovenstaande teksten wil ik wat ruimer aandacht besteden aan de heilige Schriften, de persoon  van Paulus, de reizen van Paulus en de brief aan de Romeinen in het algemeen. We sluiten dan af met de verklaring van de teksten. Nu volgen 6 afleveringen. 
 

We kijken eerst wat terug. Paulus kwam door middel van zijn brief Rome niet op persoonlijke titel binnen. Nee, hij schreef zijn brief als gezant van Christus. Breed mat hij in de eerste zeven verzen zijn apostelschap uit. Hij was een door Christus geroepen apostel, daartoe door God afgezonderd, apart gezet. Het was voor hem een wonder van genade apostel te mogen zijn, bijzonder voor de heidenen om hen tot gehoorzaamheid des geloofs te brengen. Hij was gezant van Christus. Hij sprak zijn woord met autoriteit. Door hem kwam Gods eigen Woord tot de gemeente te Rome.
Zijn boodschap is niet minder dan het evangelie van God. Dat evangelie Gods gaat over Gods eigen Zoon. Paulus schrijft met nadruk dat dit evangelie te voren beloofd, verkondigd is door de profeten in de Heilige Schriften. Het evangelie heeft dus zeer oude papieren. De vraag die ons nu bezig houdt is wat de apostel bedoelt met Heilige Schriften. 
Ten tijde van de Heere Jezus op aarde en van de apostel Paulus bestond het Nieuwe Testament zoals wij dat kennen nog niet. Het ontstaan daarvan is van latere datum. Zij leefden bij en beriepen zich op wat wij noemen het Oude Testament. De geschriften die aan het volk Israel zijn gegeven. Zij gebruikten als Gods Woord de boeken van Mozes, de profeten en de overige geschriften. Samen vormen deze boeken het Oude Testament. Vergis u niet, deze Heilige Schriften zijn vol van het evangelie. In het OT beloofd en in het NT vervuld in Christus. We houden vast aan de eenheid van beide testamenten en de grote waarde van het  OT. Bekend is de uitspraak van Augustinus dat het NT verborgen ligt in het OT en dat het OT opengaat in het NT.
 
Laten we kort nagaan hoe zowel de Heere Jezus als Paulus het OT lazen. Zij lazen de Schriften tot op Christus en gingen er van uit dat ze vol van het evangelie zijn. De Heere Jezus sprak tot de Joden: “Onderzoekt de Schriften; want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben en die zijn het die van Mij getuigen.” (Joh.5,39). Jullie, zegt de Heere Jezus, zijn constant bezig de Schriften, dus Mozes en de profeten, te onderzoeken. Jullie menen daarin het eeuwige leven te hebben. Dat is juist. Maar jullie zoeken verkeerd en gaan aan Mij voorbij. De Schriften, dus Mozes en de profeten, getuigen van Mij.
Na Zijn opstanding zocht Jezus de beide wandelaars naar Emmaüs op. Hij verweet hen hun onverstand en traagheid om te geloven al hetgeen de profeten gesproken hebben. Hij begon bij Mozes en vervolgens nam Hij hen mee door de profeten. Hij legde hen uit in al de Schiften hetgeen van Hem gesproken was (Lukas 24, 25 – 27). Wat zou ik graag meegelopen hebben voor dit onderwijs van Christus. Hij nam hen mee door de Schriften. Kijk, daar staat het en daar wordt het getoond en gezegd. Al die plaatsen getuigen van Mij. 
Ook Paulus leefde bij de Schriften van het OT. Hij las daarin Jezus Christus, het evangelie Gods. (Zie Romeinen 1,2 en ook  16,25 en 26). Als apostel mocht  hij vanuit het OT wijzen op de vervulling in Christus , de Zoon van God. Deze werd mens, heeft geleden en is gestorven en heeft in de opstanding getoond de overwinnaar te zijn van alle doodsmachten. Daarom riep Paulus op tot geloof in de Christus der Schriften. (Zie bijvoorbeeld de verkondiging van Paulus in Antiochië, Hand.13: 16 – 41).
 
Onze Bijbel bestaat niet alleen uit het NT, maar bevat ook het OT. Het OT getuigt evenzeer als het NT van Jezus Christus. We mogen het OT niet wegschuiven als zijnde geheel afgedaan. Er is inderdaad onderscheid tussen beide Testamenten. Daarover gaat het nu niet. We benadrukken in navolging van de Heere Jezus, onze hoogste Profeet, en van de apostel Paulus de eenheid van beide testamenten. Deze eenheid ligt verankerd in het verbond dat de Heere sloot met Abraham en zijn zaad. De gelovigen uit de heidenen mogen delen in het verbond dat met Abraham is gesloten. Zij zijn door het geloof in Christus aan Israel toegevoegd en leven uit de beloften van Gods verbond. Welke belofte? De Heere sprak tot Abraham: “Ik zal Mijn verbond oprichten tussen Mij en tussen u en tussen uw zaad na u in hun geslachten, om u te zijn tot een God en uw zaad na u.”(Gen17,7). God wil de God van zondaren zijn en hen doen delen in Zijn gemeenschap. Dat belooft Hij. Welk een wonder van genade dat weglopers en van God vervreemden mogen delen in Zijn gemeenschap en tot kinderen worden aangenomen en opgenomen in Gods huisgezin. Dat is de rijkdom van het genadeverbond. Ik ben Uw God.
Dat is één verbond, zowel in het OT als in het NT. Sta hier toch even bij stil. Wij mogen door genade delen in dat grote voorrecht. Zowel de volwassenen als onze kinderen zijn in Gods verbond begrepen. Dat leert ons de doop. (HC. zondag 27, vr. 74). We mogen daarop pleiten dat de Heere ons geloof schenkt en dat versterkt, zodat we uit de beloften van Zijn verbond leren leven. Maar let wel, er zijn tweeërlei kinderen des verbonds. Door geboorte uit gelovige ouders behoren we tot het verbond, zo zagen we, en leven we onder Gods beloftewoord in de doop verzegeld. Maar als we niet tot geloof komen, delen we niet werkelijk in die belofte. We leven uit de belofte door wedergeboorte, zodat we door het geloof met Christus verenigd worden en tot kinderen aangenomen.   
 
Ik wil u wijzen op een voor ons wat onbekende reformator, Johannes Oecolampadius (1482- 1531), de reformator van Bazel. Hij was hoogleraar Hebreeuws aan de universiteit te Bazel. Hij gaf onder meer uitleg van de profeet Jesaja. Hij gaf aan hoe we met het OT moeten omgaan. De betekenis van de Schrift ontgaat ons, zegt hij, als we Christus niet zoeken en als Christus zich niet aan ons openbaart. Het OT dient op Christus betrokken te worden als het doel van de Schrift. Welnu, met deze Schriften kwam Paulus via zijn brief Rome binnen.
Deze Schriften komen ook tot u en mij. Heilige Schriften waarin Christus zich openbaart. Onderzoeken wij de Schriften om Christus te leren kennen en meer en meer te kennen? Wat moeten wij als totale zondaren bij onszelf zoeken? Niets. Is ons verlangen Christus te zien? Hij is blank en rood, Hij draagt de banier boven tienduizend. Zulk één is mijn Liefste. Wat wordt je Bijbel je alles waard. Immers leer ik Christus kennen vanuit de Schriften.
Ik herinner mij een gesprek dat ik jaren geleden voerde met een lid van de gemeente toen we na de dienst naar huis liepen. Het gesprek liep over de rijdom die er in Christus te vinden is. Dat Hij onmisbaar is voor het geloofsleven. Maar, zo antwoordde ik, het gaat wel om de echte, de juiste  Christus. De Christus die we in het Woord mogen ontmoeten en Die zich in dat Woord openbaart. De Schriftuurlijke Christus. Gelukkig beaamde mijn gesprekspartner dit.
In bepaalde kringen wordt beweerd dat Christus de grootste verborgenheid is. Op deze uitspraak is veel af te dingen. Als dit inderdaad waar is dan heeft de mens een excuus voor zijn ongeloof. Immers Hij was verborgen, dus hoe zou ik Hem dan kunnen kennen! Christus wordt rijk in het Woord geopenbaard. Niemand heeft een excuus voor zijn ongeloof. Christus komt tot ons omkleed met Zijn beloften in en vanuit het Woord. Het is wel zo dat mijn ongelovig bestaan blind voor Hem is. Dat is eigen schuld. Heere, geef mij geloof, dat is ons dagelijks gebed.