Paulus aan Rome 06

Paulus verlangt naar Rome (2/6) 
“Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld. Want God is mijn getuige, Welke ik dien in mijn geest in het evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder nalaten uwer gedenk.”
“Alzo hetgeen in mij is dat is volvaardig om u ook die te Rome zijt het evangelie te verkondigen.”
Romeinen 1, 8 – 15.  
 
 
Het evangelie,waartoe Paulus geroepen is om te verkondigen onder de volken, is ook tot ons gekomen. Dat evangelie is al verkondigd aan Adam vlak na de zondeval. Door heel de tijd van het OT heen. Vervolgens in de tijd van het NT.
 

In het OT gaat het om de beloofde Messias die komen zal. In het NT is Hij gekomen. Maar Hij zal ook wederkomen in de volle glorie van Zijn koninkrijk. De inhoud van het evangelie is dus Christus. Hij mag en moet verkondigd worden. In Christus is een oceaan van zondaarsliefde. In Christus is een volheid van heil en eeuwig leven. Christus is vol van genade en waarheid, dat is betrouwbare genade waarop u aan kunt. Deze Christus nodigt zondaren. Het is Hem aangenaam als zondaren tot Hem de toevlucht nemen. In Johannes 4 lezen we dat Hij bij de Jakobsbron midden op de dag wachtte op de Samaritaanse vrouw om haar tot geloof in Hem te brengen. Hij wacht ook op u in al uw zorgen, strijd en moeiten, in tijden van ziekte en aftakeling van uw aards bestaan, met uw zonden en zondaarsbestaan. Hij wacht op u met al uw twijfels of het wel voor u is. Hij nodigt hartelijk: ”Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt en ik zal u rust geven. (Matth. 11, 28). Augustinus bad: Mag ik met U staan, dan zal ik standhouden. Mag ik in U rusten, dan zal ik rust vinden.
 
We horen steeds maar van Paulus. Wie is deze man, deze apostel, die zich in zijn brief richt aan de gemeente te Rome? We weten dat Paulus zijn brief schreef aan het einde van zijn derde reis vanuit de stad Korinthe. Juist de aanduiding derde reis heeft wat toelichting nodig. In de verzen 8 tot en met 15 benadrukt Paulus dat hij gaarne naar Rome had willen komen, maar hij was tot nu toe verhinderd. Wat houdt deze verhindering precies in? Het lijkt goed mij wat nader met deze apostel kennis te maken. We kennen zijn naam, maar wat weten we van hem? U duidt het mij niet kwalijk dat nu een stukje geschiedenis volgt.
 
Paulus is omstreeks het jaar 1 geboren in Tarsus, een plaats aan de oostelijke zuidkust van het huidige Turkije. Tarsus was een bloeiende handelsstad aan een rivier in een vruchtbare vlakte. Hier heeft Paulus zijn vroegste jeugd doorgebracht. Via zijn ouders had hij ook de burgerrechten van die stad. In Tarsus heeft hij kennis gemaakt met de cultuur van een Griekse stad met haar onderwijs en sport. Maar als kind van joods-orthodoxe ouders zal Paulus slechts in beperkte mate hebben deelgenomen aan de stadscultuur. Hij wist zich volop jood.
Paulus bezat ook het Romeins burgerrecht. Dat zal hij door geboorte via zijn ouders hebben verkregen. Dat hij jood was betekende voor hem veel meer dan dat hij het Romeinse burgerschap had. Later was voor hem het burgerschap van het koninkrijk der hemelen van veel meer waarde. Paulus heeft alleen van dit Romeins burgerrecht gebruik gemaakt als het nuttig was voor de verbreiding van het evangelie. 
 
Dit is leerzaam voor ons die leven in een geseculariseerde en wereldse maatschappij. De vraag is of  we ons laten bepalen door de ons omringende cultuur of allereerst door gehoorzaamheid aan het Woord van God. Een christen leeft in twee werelden. Hij leeft in de maatschappij waarvan hij een burger is door geboorte. In deze wereld dus. Hij is door genade een onderdaan van Koning Jezus en dus burger van het koninkrijk der hemelen. Het komt mij voor dat we als christenen in deze wereld hebben te leven als vreemdelingen die behoren bij een ander koninkrijk, bij het eeuwige Koninkrijk.
Dat geeft een geweldig perspectief en een rijke bemoediging.
In bepaalde landen worden christenen hevig vervolgd, gemarteld en zelfs vanwege hun geloof gedood. Wij kennen dat niet. We mogen in vrijheid ons geloof beleven. We mogen ongehinderd naar de kerk gaan. Maar we merken wel dat aan alle kanten deze vrijheid aan banden wordt gelegd. Onze maatschappij loopt te hoop als aan materiële zaken wordt getornd, maar maakt zich niet druk over immateriële zaken. We zien dat de politiek in het algemeen hier ons in voorgaat en zelfs discriminerend optreedt tegen christelijke  beginselen. Helaas. Hoe sta je als christen in onze wereldse maatschappij? En hoe kun je volharden? Door in afhankelijkheid van Gods genade te leven als een burger van Gods koninkrijk. Van daaruit hebben we onze roeping in deze wereld te volbrengen. Wel in de wereld en niet van de wereld. 
De grote vraag die op ons allen afkomt is of we inderdaad een onderdaan van koning Jezus zijn. Het antwoord hierop behoort de grootste prioriteit te hebben. “Maar zoekt eerst het koninkrijk van God en zijn gerechtigheid en al deze dingen zullen u toegeworpen worden. “(Matth. 6,33). 
 
Waarschijnlijk is Paulus geboren in een familie van leerbewerkers die hard moesten werken om hun brood te verdienen. Hij groeide op in het dienen van de HEERE. Hij wilde niet anders dan dat. Daarom verliet hij Tarsus en trok naar Jeruzalem om een toegewijde dienaar van de Allerhoogste te worden. Als een gedreven ijveraar voor Israëls God.
We weten uit Hand. 22,3 dat hij als jood zijn eigenlijke opvoeding kreeg aan de voeten van zijn leraar Gamaliël te Jeruzalem. Daar liet hij zich onderwijzen in de wet van God en in de tradities van de vaderen. Hij kreeg via Gamaliel een gedegen opleiding in de boeken van het OT en in de joodse geschriften. Hij tekent  zichzelf als een man die fanatiek ijverde voor de wet van God en voor het volk Israël. Hij is onderwezen naar de meest nauwgezette wijze der vaderlijke wet als Farizeeër. Zijn vader was eveneens een Farizeeër (Hand23,6). In Galaten 1, 13 – 14 laat hij zien dat hij een voorkeur had voor een joods volk zonder Jezus. Hij vervolgde de gemeente Gods en nam toe in het Jodendom boven zijn leeftijdgenoten. Hij voelde zich nauw verboden aan de eeuwenoude synagoge met zijn eerbiedwaardige tradities.
Voor zijn geboorte had God hem afgezonderd en bestemd voor een speciale taak in Zijn dienst. Van zijn jeugd aan was hij een vurige dienaar van Israëls God. Hij meende God te dienen. Maar zonder Christus. Hij zocht de gerechtigheid door de wet. 
 
In Jeruzalem kwam deze stipte Farizeeër in aanraking met de volgelingen van Jezus. Deze sekte was voor hem een gruwel, een groot kwaad in de heilige stad. Na de steniging van Stefanus vervolgt hij de christenen. Immers werden door hen lasterlijke woorden gesproken tegen de tempel en de wet (Hand 6, 13 en 14). Hij ging systematisch te werk. Hij drong de huizen binnen en sleurde zowel mannen als vouwen mee. Huizen waar de christenen samen kwamen. Zij werden verstrooid over Judea en Samaria. Hij zette ook Messiasbelijders in de synagogen onder druk(Hand. 26,11). Zelfs tot in buitenlandse steden toe.
Paulus schrijft dat hij dit alles deed in onwetendheid, in ongeloof (1 Tim1,13). Hij geloofde niet dat Jezus de Zoon van God is. Hij had de bedoeling de God van Israël oprecht te dienen. Maar hij deed het in onverstand.
 
Laten we heel  even stilstaan en ons afvragen op welke wijze wij de Heere dienen. Alleen uit gewoonte? In onverstand en blindheid slechts onze gerechtigheid zoekende? Dienen we de Heere buiten Christus? Of zoeken we Hem meer en meer te kennen. “En dit is het eeuwige leven dat zij U kennen, de enige waarachtige God en Jezus Christus die Gij gezonden hebt.” (Joh.17, 3).