Paulus aan Rome 09

Paulus verlangt naar Rome (5/6) 
“Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus  Christus over u allen dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld. Want God is mijn getuige, Welke ik dien in mijn geest in het evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder nalaten uwer gedenk.”
“Alzo hetgeen in mij is dat is volvaardig om u ook die te Rome zijt het evangelie te verkondigen.”
Romeinen 1, 8 – 15.  
 
De verzen 8 tot en met 15 behoren nog tot de inleiding van de brief. Paulus schrijft heel indringend dat hij voortdurend het plan had naar Rome te reizen om daar het evangelie te verkondigen en de banier van Koning Jezus te planten in de wereldstad, het centrum van de wereld van die dagen. Maar hij werd verhinderd.

8. “Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus Christus over u allen dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld.”
 Geweldige woorden. Wie de andere brieven van Paulus leest verbaast zich niet over deze inzet. Immers in meerdere brieven begint hij met de Heere dank te zeggen voor het geloof en de genade aan die gemeenten geschonken. (Zie bijv. 1 Kor.1,4; Fil.1, 30 5; Kol.1,3-4, enzovoort ).   
Dat er mensen tot geloof komen is te danken aan God en Zijn genade betoond in Zijn opzoekende liefde. Het geloof is niet vanzelfsprekend, maar is een gave van God. Volkomen terecht dat Paulus hiermee begint. Hij dankt zijn God dat de gemeente te Rome tot geloof in de Heere Jezus is gekomen. Dat is het danken waard. Immers is dat het voornaamste wat van een mens gezegd kan worden. Geen roem in onszelf, maar dat ik Christus mag kennen. Door dat geloof heb ik deel aan het eeuwige leven. Een mens zonder geloof is leeg en verloren. Hoe staat het met u en met mij? Lid van een kerk  zijn is goed en plicht. Maar wat is dat zonder geloof? Kunnen we danken dat u tot geloof gekomen bent.
 
Voor alles wil ik God danken. Dat is ons aller plicht om te beginnen God dank te zeggen. Immers hebben wij nergens recht op. En God is de Gever van alle goed. Wat hebben we hetgeen we niet ontvangen hebben?! Laat ik hier mee beginnen, schrijft Paulus, dat ik mijn God door Jezus Christus dank over u allen. Tot God naderen en Hem danken is mogelijk door Jezus Christus. Immers kan ik als zondaar voor God niet bestaan, laat staan om tot Hem te naderen. Wie kan voor God bestaan? Alleen door Jezus Christus, de grote Hogepriester en onze Voorbidder, kan en mag een zondaar tot God naderen ( Hebr.10, 19 en 20). Christus heeft met zijn bloed de weg tot de Vader geopend. Luther drukt het als volgt uit. “Zoals wij alles door Hem van God ontvangen, zo moeten we ook door Hem alles tot God terugbrengen daar Hij alleen waardig is voor het aangezicht van God te verschijnen en priesterlijk voor ons tussen beiden te treden. “
De woorden door Jezus Christus kunnen we ook betrekken op het volgende. Paulus dankt zijn God, de enige ware God, Die hij mag kennen en liefhebben en dienen in en door Christus. De gelovigen in Rome zijn tot geloof gekomen. Hoe? Niet uit henzelf, maar door het kerkvergaderend werk van de verhoogde Christus. Hij heeft het woord van het evangelie in Rome gebracht en velen het geloof geschonken door de Heilige Geest. Als zondaren zijn ze door het geloof Christus ingelijfd. Dat is het wonder. Zij behoren niet meer de wereld toe, noch zichzelf, maar Christus.
Mijn God, zegt Paulus. Dat is het voorrecht van alle gelovigen. De Heere heeft dat beloofd onze God te willen zijn. Hetgeen gekend wordt in het geloof. Dit geldt niet alleen voor Paulus heel persoonlijk, maar hij schrijft dit vooral als apostel. Mijn God, die mij riep en Die ik dien.
 
Paulus richt zich in zijn brief niet alleen tot zijn vrienden en medewerkers in Rome, die hem later uit de stad zullen tegemoet komen, maar tot hen allen. Paulus heeft heel de gemeente op het oog. Het is zelfs zo gesteld dat in heel de wereld van die dagen over hun geloof gesproken wordt. Dat is toch wat, dat zelfs in Rome, de keizerstad een christelijke gemeente is. Hieruit blijkt dat Christus macht heeft in hemel en op aarde, ook in Rome. Hij heeft daar de glorie van Zijn koninkrijk geopenbaard in het toebrengen van zondaren. Hij heeft ook daar Zijn troon geplaatst en mensen uit de banden van het heidendom gerukt en gebracht tot gehoorzaamheid aan Hem.
De troon van de keizer is heden verdwenen, de troon van Christus staat in de hemel vast. De macht van de wereld gaat voorbij, Gods koninkrijk blijft tot in eeuwigheid . Deze wereld gaat voorbij. De toekomst is aan allen die gebogen hebben voor de gekruiste en verheerlijkte Immanuel.  Laten we de wapens inleveren en buigen voor Zijn genade. Is Hij uw Liefste?
 
9. “Want God is mijn Getuige, Welke ik dien in mijn geest, in het evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder nalaten uwer gedenk.”
Ja, Paulus, dat kun je nu wel beweren, maar meen je dit ook? Kunnen wij er op aan? Je reist door allerlei landen, maar je bent nimmer in Rome geweest. Deze stad heb je laten liggen. Zeer velen bezoeken de stad. Van alle kanten zijn er wegen die naar Rome leiden. De stad is gemakkelijk bereikbaar. Waarom heb je de stad links laten liggen? Je bent eigenlijk voor de gemeente een onbekende. Durfde je niet met het kruisevangelie in de keizerstad te komen? Ben je wel met  ons bewogen? De banier van het evangelie is door anderen geplant. Paulus hoort als het ware deze klanken. En hoe reageert hij? Hij plaatst zich voor Gods aangezicht en roept Hem als getuige aan. De beste getuige Die er is. Trouwens, Paulus doet dit in meerdere brieven (2 Kor.1,23, 2 Kor.11,31, Fil.1,8). Hij beroept zich op de alwetendheid van God Die hart en nieren  doorzoekt.
                                        Niets is o Oppermajesteit
                                        bedekt voor uw alwetendheid.
                                        Gij kent mij, Gij doorgrondt mijn daân,
                                        Gij weet mijn zitten en mijn staan,
                                        Wat ik beraad of wil betrachten,
                                        Gij kent van verre mijn gedachten.
Hieraan  liggen twee belijdenissen ten grondslag. Die van zelfkennis en van Godskennis. Belijdenis van eigen zondig en leugenachtig bestaan. Maar ook de belijdenis dat God is de waarheid Die niet liegen kan. Toch weet Paulus dat hij ten aanzien van Rome oprecht is in zijn gevoelens en geweten. Daarom roept hij de Heere aan als getuige die in zijn hart ziet zijn oprechtheid. Heere, u weet van mij dat ik dit oprecht meen en mijn woord waarheid is.
Het is de opdracht van een prediker zich en zijn gemeente in gebed en prediking voor Gods aangezicht te plaatsen. In een eredienst komen we samen om de Heere te dienen en te prijzen. We komen samen voor Gods aangezicht. Opdat we ons in gehoorzaamheid buigen voor Zijn woord en het Hem laten zeggen. Zie, Heere of bij mij een schadelijke weg zij en leidt mij op de eeuwige weg. Laten wij ons onderzoeken of we in het geloof zijn. Opdat we verstaan wie ik zelf ben en Wie de Heere voor mij is. Heerlijk als we met Petrus mogen belijden:  “Heere,  gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U liefheb.” (Joh.21, 17). Het is alsof Petrus wil zeggen: Heere, U bent alwetend, zie in mijn hart en dan aanschouwt U Uw eigen werk. Ik heb u immers lief omdat Gij mij eerst hebt liefgehad. Een oprecht hart voor de Heere. U bent mijn getuige.
 
De God die hij als getuige aanroept mag hij dienen in zijn geest in het evangelie. In zijn geest, dat is met heel zijn innerlijk bestaan en van harte. Met heel zijn hebben en houden dient hij de Heere in de bediening van het evangelie. Dat neemt heel zijn bestaan in beslag. In liefde tot Christus en Zijn koninkrijk en tot zijn medemensen. Wee mij als ik dat evangelie niet verkondig. Dat is zijn dienst aan de Heere. Hij is vol overgave om de Heere te dienen in Zijn evangelie. Zijn Zoon is daarvan het middelpunt, de wezenlijke  inhoud.
Daarom gedenkt hij hen ook in zijn gebed zonder nalaten, onophoudelijk. Paulus was een man van  gebed. We weten dat ook uit zijn overige brieven (1 Kor.1,4, Ef.1,16, Fil.1, 3 en 4 en 9, enz.) Tijdens zijn gebeden die hij als echte jood drie maal daags doet, gedenkt hij ook aan de gemeente te Rome. En hij brengt de gemeente in gedachtenis voor Gods aangezicht. Heere, denk ook aan deze gemeente.
Laten allen die zich geroepen weten tot de dienst aan het evangelie zich hieraan toetsen. Ben ik vol overgave om mij geheel aan deze dienst te wijden? Om de mensen te bewegen tot het geloof? Gedenk ik hen in mijn gebeden? Of ben ik een zoeker van eigen eer en roem? Indringende vragen.