Paulus aan Rome 10

Paulus verlangt naar Rome (6/6) 
“Eerstelijk dank ik mijn God door Jezus  Christus over u allen dat uw geloof verkondigd wordt in de gehele wereld. Want God is mijn getuige, Welke ik dien in mijn geest in het evangelie van Zijn Zoon, hoe ik zonder nalaten uwer gedenk.”
“Alzo hetgeen in mij is dat is volvaardig om u ook die te Rome zijt het evangelie te verkondigen.”
Romeinen 1, 8 – 15.  
 
10. “Allen tijd in mijn gebeden biddende of mogelijk mij nog te eniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd  door de wil van God om tot ulieden te komen.”
Wanneer Paulus in het gebed aan de gemeente van Rome denkt is het zijn verzoek aan de Heere om te Rome te mogen komen. Altijd tijdens zijn gebeden komt hij met dit verzoek tot de Heere. Hij vraagt of hem wellicht eindelijk eens een goede gelegenheid wordt gegeven om tot hen te komen. Dat zou nu toch wel eens tijd worden dat hij er nu in slaagt naar Rome te reizen. Daar bidt hij om, smekende. Maar Paulus zegt er wel iets bij.
 

Door de wil van God. Zo God het wil. Alles is ondergeschikt aan de wil van God. Daarom bidt hij: Heere, wat is Uw wil? Wanneer U het wil zal ik te Rome komen. Geloof houdt ook in overgave aan de Heere in een stille geest die op Hem gericht is. Aan het slot van zijn brief komt Paulus erop terug als hij schrijft: “Opdat ik met blijdschap, door de wil van God, tot u mag komen en met u verkwikt worden.”  (Rom.15,32). Laten we bij al onze plannen en wegen bedenken wat Jakobus ons voorhoudt: “In plaats dat gij zoudt zeggen: Indien de Heere wil en wij leven, zo zullen we dit of dat doen.” (Jak.4,15) De Heere Jezus heeft ons leren bidden: Uw wil geschiede. De Heidelberger zegt er zo mooi over: Geef dat wij en alle mensen onze eigen wil verzaken en Uw wil die alleen goed is zonder enig tegenspreken gehoorzaam zijn.
 
11. “Want ik verlang om u te zien, opdat ik enige geestelijke gaven mocht meedelen ten einde gij versterkt zou worden.”
Waarom is het zijn begeerte om te Rome te komen en de gemeente te bezoeken? Hij zal niet met lege handen komen. Hij wil hen iets meedelen, verkondigen en schenken. Hij wil hen enige geestelijke gaven meedelen opdat zij in het geloof gesterkt worden. Dat laatste is hard nodig voor hen die leven in zulk een heidense wereldstad. Maar ook in hun houding tegenover de Joden. Ook in hun eigen geloofsstrijd en aanvechtingen. Krachtiger in het geloof staan. Hoe? Paulus wil tot hen komen met enige geestelijke gaven. In Rom.5, 15 en 16 spreekt hij over Gods genadegave in Christus. De genadegift van de rechtvaardiging van een zondaar door het geloof in Christus. In Rom.6,23 zegt hij: “Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de genadegift van God is het eeuwige leven door Jezus Christus onze Heere.” Hij zal komen met het evangelie van Jezus Christus. De grote gave van Gods genade is de schenking van zijn eigen Zoon. We worden zalig door de gave en het geschenk van Gods genade.
 
12. “Dat is om mede vertroost te worden onder u door het onderling geloof, zo het uwe als het mijne.”
Paulus schrijft de gemeente met het gezag van een apostel. Maar hij wil niet boven hen gaan staan, maar als medegelovige tussen hen in. Hij wil niet alleen geven, maar ook ontvangen. Ze delen in hetzelfde geloof. Het geloof onder elkaar. Het onderling geloof. Hij wil het meedelen, er mede in delen. Door het geloof leven ze allen als zondaren van vrije genade. Zij kennen elk hun strijd en twijfel, hun klein en zwak geloof, hun blijvend zondaarsbestaan. Zij hebben nodig versterkt te worden. Daarom wil Paulus tot hen komen met geestelijke gaven. Maar ook zoekt  hij de wederzijdse vertroosting en bemoediging. Zowel hun als Paulus’ geloof heeft die wederzijdse bemoediging nodig. Elkaar vermanen, bemoedigen,  corrigeren op grond van Gods woord. Elkaar opwekken toch meer op Christus te zien en tot Hem de toevlucht te nemen. Werd zulks maar meer onder ons gevonden. In plaats van elkaar te veroordelen. Ik wees er al meer op dat wanneer Paulus als gevangene de stad nadert de broeders hem tegemoet reizen. Als zij Paulus zijn broeders ontmoet dankt hij God en grijpt moed. (Hand.28,15)
 
13. “Doch ik wil niet dat u onbekend zij, broeders, dat ik menigmaal  voorgenomen heb tot u te komen, en ben tot nog toe verhinderd geweest, opdat ik ook onder u enige vrucht zou heb ben gelijk als ook onder de andere heidenen. “
Laat dat vooral duidelijk zijn en bij u niet onbekend dat ik vaak heb voorgenomen tot u te komen. Ik had concrete plannen. Maar ik ben tot op heden toe steeds verhinderd geweest.  Ik wilde graag onder u ook enige vrucht hebben zoals bij andere heidenen. Wat brandde mijn hart om onder de volken, maar ook in Rome de boom van het evangelie te planten opdat ik de vrucht mocht zien van een oogst van gelovigen die met het heidendom breken en zich aan de Heere Jezus overgeven. Ja, ook de vrucht van de versterking van dit prille geloof.
Dat is toch de begeerte van elke door de Heere geroepen dienaar om de vrucht van geloof en bekering te mogen zien? Laat hij niet streven naar het zoeken van eigen eer of het werken naar eigen eer toe. Dat gevaar ligt vanuit de hoogmoed van het hart voor de deur. De taak van een dienaar is niet het zoeken van een vooraanstaande positie, maar het Woord  op een oprechte en eerlijke manier verkondigen en daarin getrouw zijn. Naar mijn stellige  overtuiging is dit de remedie tegen de malaise in ons verdeelde en zo weinig vruchtbaar kerkelijk leven: De prediking van het woord des kruises. ”Want het woord des kruises is wel degenen die verloren gaan dwaasheid, maar ons die behouden worden is het een kracht Gods. ”(1 Kor.1,18).
 
Maar dat ik deze plannen niet kon volvoeren lag niet aan mij, schrijft Paulus. Er waren hindernissen. Ja, Paulus werd telkenmale verhinderd zijn plannen te volvoeren en naar Rome te reizen. Toen hij door Macedonië reisde volgde hij de beroemde Via Egnatia, regelrecht naar Rome. Maar hij moest zijn weg ombuigen vanwege vijandschap en doodsdreiging van de kant van de Joden. Zo kwam hij in Korinthe. Vandaar kon hij te scheep gaan naar Rome. Maar hij hoorde van het decreet van keizer Claudius in het jaar 49 dat al de joden uit Rome verdreven werden. Weer een blokkade. Wanneer dan Paulus op zijn laatste reis weer te Korinthe is moet hij eerst naar Jeruzalem gaan om de gehouden collecte af te dragen. We hebben al eerder gezien dat hij vaak door de Heilige Geest verhinderd werd zijn eigen plannen uit te voeren. Hij zal in Rome komen, maar op Gods tijd en wijze. God de Heere regeert. Hij leidt onze weg en laten we leren te volgen hoe de weg ook is. 
 
14 en 15. “Beiden Grieken en Barbaren, beiden wijzen en onwijzen, ben ik een schuldenaar. Al zo hetgeen in mij is dat is volvaardig om u ook die te Rome zijt het Evangelie te verkondigen. “
Paulus weet zich een  schuldenaar. Hij heeft schuld bij God en de mensen. Die schuld moet hij inlossen. Dat drijft hem. De Heere riep hem tot de heidenen te gaan en hen het evangelie te verkondigen. Deze last is hem opgedragen. De Heere Jezus draagt hem als een vat op Zijn schouders om Zijn naam te dragen voor de heidenen en de koningen en de kinderen Israels.” (Hand.9,`15). ”Want indien ik het evangelie niet verkondig, het is mij geen roem. Want de nood is mij opgelegd. En wee mij indien ik het evangelie niet verkondig.”(1Kor.9,16). Hij heeft de taak het evangelie tot allen te brengen. Heidenen en Joden. Grieken en Barbaren. Barbaren zijn volken die geen deel hebben aan de Griekse taal en cultuur. Dus Grieken en niet-Grieken. Wijzen en onwijzen, dat zijn ontwikkelde mensen en niet ontwikkelde mensen, dus geleerden en eenvoudigen. Voor de Heere valt alle onderscheid weg. Voor allen zonder onderscheid is hij bereidwillig naar Rome te komen en het woord van genade te verkondigen. Zo hoort het ook. Een dienaar mag in zijn gemeente geen verschil maken. Allen zijn voor de Heere gelijk, allen hebben dezelfde genade nodig. Dat is het heerlijke van een kerkdienst. Naast elkaar zitten ouders en kinderen, jongen en ouden, rijken en armen, geleerden eenvoudigen, notabelen en arbeiders. Allen onder hetzelfde Woord en voor dezelfde Heere. De kwestie is of we van Christus zijn.