Paulus aan Rome 11

Paulus schaamt zich niet.
“Want ik schaam mij het evangelie van Christus niet; want het is een kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst de jood en ook de Griek. Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard uit geloof tot geloof; gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit het geloof leven.”
Romeinen 1: 16 en 17
 

Nee, gemeente van Rome, trek alstublieft geen verkeerde conclusie uit het feit dat Paulus tot nu toe geen bezoek aan Rome gebracht heeft. Denk niet dat Paulus niet durft te komen. Geen schroom behoeft hem tegen te houden. Paulus behoeft zich ook voor niemand te schamen. Hij heeft immers wat te zeggen. Hij heeft een woord voor de wereld. Een woord met inhoud. Een woord van de allergrootste waarde en voor elk mens onmisbaar. Paulus ontrolt waar hij komt de kruisbanier van het evangelie. Het evangelie dat Jezus Christus en Zijn koninkrijk tot grote inhoud heeft. Waar hij ook komt en tot wie hij zich ook maar richt. Hij behoeft zijn hoofd niet te laten zakken. Het door hem verkondigde evangelie is van de allergrootste waarde.
We hebben gezien dat er voor Paulus reden was dit duidelijk aan te geven. We zagen in het voorgaande dat de gemeente te Rome, bestaande uit verschillende huisgemeenten, niet door de arbeid van Paulus is ontstaan. Hij is er in zekere zin onbekend. Wel weet hij zich aan de gemeente verbonden. Hij bidt God voor de gelegenheid om naar Rome te komen. Hij wil hen enige geestelijke gaven meedelen, zodat ze er samen in delen. Hij zoekt de wederzijdse geloofsgemeenschap. Dikwijls had hij het voornemen naar Rome te gaan. Er is tot nu toe niets van gekomen. Hij was steeds weer verhinderd om aan zijn voornemen daadwerkelijk uitvoering te geven. Dat hij niet naar Rome is gekomen moet niet geweten worden aan onwil of beschroomdheid van de apostel. Het evangelie dat hij verkondigt is dermate van grote waarde dat hij zich er niet voor schaamt dit ook in de wereldstad, het centrum van het Romeinse rijk te brengen.
 
Alle nadruk in deze verzen valt op het evangelie. In de eerst zes verzen gaf hij aan dat de Heere hem heeft afgezonderd tot het evangelie. Het evangelie dat al in het OT was beloofd. Zowel in vers 6 als in vers 15 gaf hij aan dat de gemeente te Rome deel heeft aan dat evangelie. Welk een wonder nietwaar, dat God in Zijn grote liefde een verloren wereld opzoekt met Zijn Woord en dat Hij het evangelie laat verkondigen. Met recht een blijde boodschap van Gods vergevende liefde in Christus. Zou Paulus zich voor zulk een boodschap schamen? Neen! Paulus geeft de reden aan waarom hij zich niet schaamt. Want het door hem verkondigde evangelie is een kracht Gods tot zaligheid. Dat evangelie vertegenwoordigt de Goddelijke macht. 
 
In de prediking van dat evangelie openbaart God Zijn kracht en mogendheid tot zaligheid. Daarom is het evangelie een kracht. Het evangelie is niet zomaar een bepaalde mening of een leer of een stelsel. Waar het evangelie wordt verkondigd beluisteren we niet slechts een toespraak. Het is een kracht. Wanneer we bij het evangelie samen komen bevinden we ons in een krachtenveld. Het evangelie is in de handen van de Geest als een springstof met een uitwerking in levens van mensenkinderen. Het Woord des Heeren is om zo te zeggen onwederstandelijk. Dat wil zeggen dat het niet is te weerstaan, tegen te staan. Alles verandert er door. Het is een  kracht Gods.
God heeft Zijn kracht geopenbaard in de schepping. Door te spreken is alles geschapen, geworden. God openbaarde Zijn kracht in de heilsgeschiedenis. Op Zijn Woord week de Rode Zee zodat het volk Israel er droogvoets door geleid werd.  Op het Woord van Christus ging de storm liggen, werden zieken genezen, stonden doden op. Zo openbaart zich een Goddelijke kracht in het evangelie.
De prediking, de verkondiging van het evangelie komt tot ons allen. Bij velen stuit het af op het stenen hart. Zij zullen om zo te zeggen de toorn van het evangelie ervaren. Doch door de Heilige Geest, de inwendige Leermeester, is het evangelie zo krachtdadig dat een zondaar tot de zaligheid wordt geleid. Het Woord wordt als springstof onder het verloren leven van een mens gelegd tot behoud.
 
Velen hebben dat in hun leven ervaren. Laat ik twee voorbeelden mogen noemen. Ik denk aan  Maarten Luther (1483-1546) die zich inspande om de brief aan de Romeinen te verstaan. Maar de woorden van Romeinen 1: 17 vormden voor hem een blokkade. Ze brachten hem in geweldige aanvechtingen. “De vertwijfeling heeft van Luther een monnik gemaakt. De gerechtigheid die uit het geloof is heeft hem tenslotte weer uit het klooster gehaald en hem de vrijheid van een christenmens gebracht.” (Aldus de openingszin van het boek van dr. W. van t Spijker: Luther, belofte en ervaring.) Deze vertwijfeling was voor Luther niet slechts theologisch , maar heel essentieel en persoonlijk. Het betrof zijn verhouding tot God. Hij stuitte in de Schrift op het begrip gerechtigheid en dat bracht hem in grote nood. De kerkelijke leraren van zijn tijd lieten zich leiden door filosofische overwegingen. Zij verstonden onder Gods gerechtigheid dat Hij een ieder naar zijn verdienste recht doet. Hij beloont de goeden en straft de goddelozen en zondaren. Luther haatte dit woord. God moest hem straffen.
 In de jaren 1513- 1515 gaf hij aan de universiteit te Wittenberg colleges over de Psalmen. In de jaren daarna over de brief aan de Romeinen, de Galaten  en de Hebreeën. Er was maar één conclusie mogelijk. Gods gerechtigheid is Zijn straffende en veroordelende gerechtigheid. Er is immers niemand goed.
Tijdens zijn colleges over de Psalmen stuitte hij op Psalm 31:2. “Help mij uit door Uw gerechtigheid.” Hij las dit eerst als een gebed van Christus tot de V ader. Christus kan dit bidden. Maar een gelovige niet. De mens is immers  een zondaar. God kan niet anders dan de zondaar straffen met een eeuwige toorn. Hoe kan dan een gelovige bidden of God hem uithelpt door Zijn gerechtigheid? Die gerechtigheid is immers veroordelend.
Later kwam Luther bij Psalm 71:2 dezelfde woorden tegen. “Red mij door Uw gerechtigheid.” Al worstelende met deze woorden kwam Luther bij Rom.1:17.De gerechtigheid is  de inhoud van het evangelie. Gods straffende gerechtigheid? De wet veroordeelt hem en dan ook nog het evangelie! Bij het nauwkeurig lezen en onderzoeken van deze woorden ging Luther ze anders verstaan en drong hij door tot de eigenlijke betekenis. Door het geloof krijgen we deel aan de gerechtigheid.  Gerechtigheid is een geschenk van genade welk God geeft.
Luther worstelde dus met het verstaan van de gerechtigheid van God gedurende de jaren 1513 tot 1518. Als het ware door een proces heen kwam hij tot de grote reformatorische doorbraak. Dat noemde hij zijn Turmerlebnis. In zijn torenkamer ging de tekst v oor hem open. Hij ging verstaan dat de gerechtigheid die God eist een gave is in en door Christus. We krijgen er deel aan door toerekening en in de weg van het geloof. Luther schreef er over in de voorrede van de grote uitgave van zijn Latijnse werken in 1545.Hij schrijft aldaar: “Hier voelde ik mij geheel en al nieuw geboren en was het alsof ik door de geopende poorten het paradijs zelf was binnen gegaan.”
Het gaat dus in vers 17 over de gerechtigheid als een gave van God die hem zaligt. Het evangelie is een kracht  Gods tot zaligheid.  Gods verlossende en vrijsprekende gerechtigheid wordt erin geopenbaard. 
Een ander voorbeeld. Ik denk aan John Wesley (1703 – 1791).Lange tijd tobde hij of hij wel het ware geloof kende. Op de avond van 24 mei 1738 om ongeveer kwart voor negen kwam hij tot het geloof. Hij bezocht een samenkomst van een Moravisch gezelschap aan de Aldersgate Street te Londen. Iemand las voor uit het voorwoord van de verklaring van Luther op de brief aan de Romeinen. Zijn hart stroomde vol. Ik voelde mijn hart vreemd verwarmd, zei hij er later van. Ik voelde dat ik op Christus alleen tot zaligheid vertrouwde. Ik ontving de zekerheid dat Hij mijn zonden, zelfs de mijne had weggenomen en mij van de wet der zonde en des doods had verlos. Hij mocht in Jezus Christus  geloven en weten dat zijn zonden vergeven waren.
 
Een kracht Gods tot zaligheid. Dit zijn ontzaglijke woorden. Want zij willen zeggen dat we totaal verloren zondaren zijn. Algeheel zondig en waardig Gods toorn tot de rampzaligheid. Niets en niemand kan ons daaruit verlossen. Er is een Goddelijke kracht voor nodig. Die bewijst de Heere in de prediking . Zo leidt Hij zondaren tot de zaligheid. Dat is de vergeving, het eeuwige leven, Gods gemeenschap en alle heil. Zie, God wil zondaren zaligen. Hij wil dat middellijk doen. Hij geeft het middel in de prediking. Door dit middel openbaart Hij Zijn kracht tot zaligheid.
 
Voor wie? Voor een ieder die gelooft. Wie men dan ook is. Hoe onwaardig. Hoe schuldig. Hoe verdorven. In het geloof ervaar ik de Goddelijke kracht van het evangelie tot zaligheid.  Het geloof dat de toevlucht neemt tot Christus. Zowel voor joden als voor heidenen. Voor allen. Allen hebben hetzelfde nodig. Maar eerst de jood en dan ook de heidenen. Zo is de Goddelijke orde.
 
Wat houdt het in dat kan gezegd worden dat het evangelie een kracht Gods tot zaligheid? Want de rechtvaardigheid Gods wordt in hetzelve geopenbaard. Het evangelie van Jezus Christus is het evangelie van Zijn Koninkrijk. In Zijn opstanding heeft Hij alle doodsmachten overwonnen en is Hem gegeven alle macht in hemel en op aarde. Wanneer Hij wederkomt zal dat koninkrijk zich in alle heerlijkheid openbaren. Wie tot geloof komt is een onderdaan van Koning Jezus en mag delen in de rijkdom van Zijn koninkrijk. Hij behoort niet meer tot het rijk van deze wereld, het rijk der duisternis,  maar tot het koninkrijk van God. Overal waar Paulus komt verkondigt hij het evangelie van dat koninkrijk. Gods gerechtigheid is het recht van God in Zijn koninkrijk. Zou Paulus zich voor dat koninkrijk schamen? Neen. Wat er ook tegenop komt.  Alle koninkrijken zijn tijdelijk, gaan voorbij, gaan ten onder. Gods koninkrijk is eeuwig. In Rome geldt het beroemde recht van het Romeinse rijk, een aards rijk slechts. Er geldt de macht van de keizer. Paulus komt met het recht van Gods koninkrijk. In het evangelie openbaart God Zijn Goddelijke macht die verre boven de macht van de keizer en het Romeinse rijk uitgaat, ja die aardse machten verbleken volkomen. Daarom zegt de Heere ook tot ons allen eerst Gods koninkrijk en zijn gerechtigheid te zoeken.