Het woord van Jezus te Kana in Galilea

MEDITATIE

Het woord van Jezus te Kana in Galilea.  
 
1. Votum en groet
2. Zingen Psalm 25: 2
3. Geloofsbelijdenis
4. Zingen Psalm 25: 6
5. Gebed
6. Schriftlezing Johannes 4: 43 – 54 
7. Zingen Psalm 56: 5 en 6
8. Verkondiging over Johannes 4: 43 – 54
9. Zingen Psalm 119: 25 (na de tweede gedachte)
10. Zingen Psalm 27: 7 
11. Gebed
12. Zingen Psalm 89: 7 en 8
13. Zegen
 
Verkondiging over Johannes 4: 43 – 54
Zalig worden, gered worden voor eeuwig, deel hebben aan de goederen van Gods koninkrijk. Maar hoe? Alleen door het geloof. Het geloof leert buigen onder Gods Woord in gehoorzaamheid om alles alleen van de Heere verwachten. Het geloof leert leven uit Gods Woord om meer en meer te verstaan wie ikzelf ben en blijf en wie de Heere is in Christus Jezus.
Geloven is amen zeggen en amen doen. God komt door Zijn Woord tot ons in zijn belofte. In die belofte legt Hij alle heil voor ons neer. Door het geloof leer ik daar amen op zeggen. Maar dan ook amen doen, dat is leven in geloof en bekering vanuit het Woord. Hoe langer hoe meer naar de Heere uitgaan en opwassen in de kennis van Christus. Meer en meer in boetvaardigheid als een zondig mensenkind buigen onder de Heere.
Dat ik geloven mag – wat een wonder, nietwaar - is enkel genade. Ongeloof is schuld. Ongeloof is een aangrijpende zaak. Dat ik in ongeloof aan God en zijn belofte voorbijga is niet te verdedigen noch goed te praten, laat staan goed te keuren. Belijd uw ongeloof en ga toch naar de Heere uit. Geloven is de toevlucht tot de Heere nemen. Laten we gaan luisteren naar Gods Woord zoals dat tot ons komt vanuit deze verzen in het licht van heel Gods Woord. In deze geschiedenis treffen we zowel het ongeloof als het geloof aan.

Het woord van Jezus te Kana in Galilea.
1. Ongeloof
2. Geloof
3. Geheimnis
1. Ongeloof
De Heere Jezus is op reis vanuit Judea naar Galilea. Tijdens deze reis heeft Hij een oponthoud van twee dagen in Samaria. Hij vertrekt na die twee dagen weer vandaar om naar Galilea te gaan. Vandaar ging Hij weer uit, zo staat er. Hij kan niet in Judea, noch in Samaria lang blijven. Ook niet in Galilea. Hij is immers op doorreis. Hij is uitgegaan van de Vader om in deze wereld de opdracht des Vaders te volvoeren om daarna weer naar het Huis des Vaders terug te keren. Zijn weg is vanuit de hemel, door het kruislijden en de opstanding weer terug naar de Vader. Zijn weg is door kruis en dood om de zaligheid te verwerven om vanuit de hemel zijn kerk te vergaderen. Moest de Christus niet deze dingen lijden  en alzo in zijn heerlijkheid ingaan?
 
Johannes motiveert Zijn gaan naar Galilea met deze woorden: ”Want Jezus heeft Zelf getuigd dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft.”  Wonderlijke woorden om daarmee aan te geven waarom Hij naar Galilea gaat. Wil Johannes zeggen dat Hij daarom in Galilea minder aanhang kan verwachten dan in Judea, zodat dit niet de agressiviteit van de leidslieden uit Jeruzalem opwekt? Die zagen immers met lede ogen aan dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes. Echter, tegelijk wordt verhaald dat juist de Galileeërs Hem ontvangen als een graag geziene gast. Dan valt te zeggen dat zij Hem wel eerden.
De vraag is wat Johannes bedoelt met zijn vaderland, of liever gezegd zijn vaderstad. Te denken valt aan het stadje Nazareth waar Jezus is opgegroeid. Daar woonde Hij met vader Jozef en moeder Maria, met zijn broers en zussen. Daar heeft Hij gewerkt in de timmermanswerkplaats van zijn vader. Zelf wordt Hij ook de timmerman genoemd.
Van die stad heeft Jezus getuigd dat een profeet geen eer heeft in eigen vaderstad. De inwoners van Nazareth kennen hem maar al te goed. Zij hebben Hem gekend als klein kind en zien opgroeien. En dan eren als profeet? Nee, dat weigeren zij. 
 
We lezen in vers 46: Zo kwam Jezus dan wederom te Kana in Galilea. Je zou kunnen zeggen: dus kwam Hij in Kana. Hij ging Nazareth voorbij en kwam in het wat noordelijker gelegen stadje Kana. Waarom? Vanwege het ongeloof in Nazareth.
 
Later is hij volgens de evangeliën er toch twee keer geweest. Hij kwam er niet op familie bezoek, maar als Profeet om in de synagoge het evangelie van Gods koninkrijk te verkondigen. Na het lezen van Jesaja 61 verklaarde Hij dat deze Schrift heden, dus in Hem, vervuld was. Hij sprak aangename woorden, dat zijn woorden van genade. Men verzette zich ertegen. Dat kan toch niet waar zijn, hij is immers de zoon van Jozef, de timmerman. Zijn woorden stuitten af op ongeloof. Men wilde Hem zelfs van de steilte afwerpen.
De volgende keer sprak Hij weer in de synagoge en openbaarde Zijn wijsheid en kracht. Weer accepteerde men dat niet. Immers was Hij hun stadgenoot en was men met Hem en zijn familie bekend, het was allemaal te gewoon. Tegelijk rees er in het hart jaloezie op. Jezus deed wel enkele krachten, maar niet veel. Vanwege hun ongeloof. Men bracht eenvoudig geen zieken tot Hem. Men geloofde Hem niet.
En dan zegt Markus (6, 6 ) dat Jezus zich verwonderde over hun ongeloof. Hij verbaast zich erover. Ongeloof is niet te verdedigen, is niet gewoon, maar hoogst ongewoon. Er is in de hemel blijdschap over een zondaar die zich bekeert. Maar we mogen ons verbazen over ongeloof. Het is toch vreemd en dwaas dat een mens niet naar Jezus uitgaat om de zaligheid te vinden waar deze wordt aangeboden.
 
Bij beide gelegenheden heeft Jezus getuigd dat een profeet in zijn eigen vaderstad geen eer ontvangt. We mogen dit uitbreiden naar heel Israël. Immers lezen we dat Hij gekomen is tot het zijne, maar dat de zijnen Hem niet hebben aangenomen. O ja zeker, er zijn er toch tot geloof gekomen. Maar in het algemeen kan gezegd dat de joden hem niet erkenden als de Christus. Ongeloof. Hoogst aangrijpend terwijl de zaligheid zo nabij is.
 
En zulks tegen de achtergrond van zijn verblijf van twee dagen in Samaria. Bij de Jakobsbron sprak Hij met de Samaritaanse vrouw ondanks haar zondig leven. Ze had vijf mannen gehad en leefde nu samen met een man in overspel. Nee, Jezus keurt geen zondige levenswandel goed, maar schrijft geen zondaar af. Hij bracht deze zondige vrouw tot geloof in Hem. En zij kon natuurlijk haar mond niet houden. In het stadje Sichar getuigde zij van haar geloof. ”Ziet een Mens die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb. Is deze niet de Christus?” Vervuld met zelfkennis en Christuskennis riep ze de inwoners van Sichar op tot Hem de toevlucht te nemen. Is Hij ook voor jullie de Christus?
Jezus wees zijn discipelen op de vele mensen die uit het stadje tot Hem de toevlucht namen. De velden zijn wit om te oogsten. De inwoners van Sichar smeekten Hem bij hen te blijven. Er was honger naar het Woord, naar meer onderwijs. Wij hebben gehoord en weten dat Hij is de Christus, de Zaligmaker der wereld. Welk een heerlijke oogst van gelovigen. Echter, Nazareth moet Jezus voorbij gaan. Daar ontvangt Hij deze eer niet. Vanwege hun ongeloof. Deze Samaritanen moet de Joden beschamen. En ons?
 
Jezus gaat dus Nazareth voorbij en gaat naar Kana.
Het is zeker waar dat het geloof een gave van God is. Het geloof is een vrucht van wederbarende genade. Wanneer ik door het geloof uit de heerlijkheid en schoonheid van Christus mag leven vervult verwondering mijn ziel. En dat voor mij, Heere? Tegelijk gun je het een ieder. Te mogen geloven is genade en een werk van de Heere. Maar zeer zeker geldt  de oproep tot geloof. We hebben er alles aan te doen om zalig te worden. Ongeloof is schuld, is ongewoon. De Geest is gekomen om de wereld te overtuigen van zonde. Welk zonde? Dat zij in Mij niet geloven, zegt Christus. De Heere geeft ons de prediking van zijn evangelie.  Heeft de belofte verzegeld bij de doop. Komt tot ons met zijn belofte en roept op ons in het geloof tot Hem de toevlucht te nemen. Komt herwaarts tot Mij en Ik zal u rust geven.
Het ongeloof zegt: Nee. De wereld doet dit atheïstisch, menig kerkmens vroom door weg te kruipen achter zijn onmacht. Vergeet niet dat de Heere geloof wil geven en werkt. Daarom worden we opgeroepen tot geloof. Moet Jezus zich verbazen over ons ongeloof? Ongeloof is ongewoon. Heere, ik kom tot U en geef mij geloof. 
2. Geloof
 
Wanneer u vanuit Kana naar het noordoosten trekt daalt u in het bergland naar beneden en komt in Kapernaum aan de Zee van Galilea, twee honderd meter beneden de zeespiegel. Een reis  van 26 kilometer. In het stadje Kapernaum is iemand in nood. Een vader zit bij het sterfbed van zijn kind. Hij is een koninklijke hoveling, een ambtenaar in dienst van koning Herodes Antipas, viervorst over Galilea. Hij heeft knechten in dienst. Hij is dus welgesteld en heeft een hoge positie aan het hof. Hij behoort tot de voornamen van de wereld. Ook deze man komt tot geloof in Jezus.
Het evangelie bereikt allerlei soorten van mensen, mannen en vrouwen, ouderen en jongeren, armen en rijken, mensen aan de zelfkant van de maatschappij en geëerde burgers. De Heere gaat niemand voorbij. Wel is het waar dat de kerk voornamelijk bestaat uit eenvoudigen. Paulus schrijft: ”Want gij ziet uw roeping, broeders, dat gij niet vele wijzen zijt naar het vlees, niet vele machtigen, niet vele edelen. Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren opdat Hij het sterke beschamen zou. En het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren en hetgeen niets is opdat Hij hetgeen iets is teniet zou maken. Opdat geen vlees zou roemen voor Hem.” (1 Kor.1, 26 – 29)
Toch komen ook voornamen en rijken tot geloof. Alhoewel Christus zegt dat het bezwaarlijk is dat een rijke in het Koninkrijk der hemelen zou komen. (Matth. 19,23). Aan de ene kant is het een gave van God om materiële rijkdommen te ontvangen. Het stelt bijzonder  verantwoordelijk om er goed mee om te gaan als een wijze rentmeester. Anderzijds brengt  rijkdom veel zorgen mee. En gevaren. Ryle zegt dat David een gelukkiger leven had toen hij als schaapherder de kudde van zijn vader weidde, dan toen hij als koning in Jeruzalem over de twaalf stammen regeerde.
 
Johannes vertelt ons dat zijn zoon ziek is, op sterven ligt. Hij heeft hoge koortsen. Welk een  smart en nood in dat huis. Bij nood verbleekt alle aardse rijkdom en pracht. Dan blijkt hoe kostbaar het leven is, met niets te vergelijken of te vergoeden. Kinderen ontvangen en hebben is een rijke zegen, maar gaat ook gepaard met zorgen. In kinderen is een ouder trefbaar. Dat merk je als je kind ziek is of op sterven ligt of zelfs sterft. Een ouder is dan gewond voor het leven. Adam en Eva moesten hun zoon Abel begraven. David heeft enkele kinderen verloren.  Job raakte op één dag zijn tien kinderen kwijt. Wie kan onder zulke omstandigheden de weg des HEEREN verstaan? De Bijbel spreekt van beproevingen om tot de Heere uitgedreven te worden en in het geloof versterkt te worden  Ryle noemt de smart één van Gods geneesmiddelen. Job raakte op één dag veel, zeer veel kwijt. Hij mocht in die diepe smart de HEERE overhouden. De HEERE heeft gegeven, de HEERE heeft genomen, de naam des HEEREN zij geloofd. Bij U schuil ik, o HEERE.
 
 De vader heeft vernomen dat Jezus vanuit Judea weer in Galilea is gekomen. Hij heeft gehoord van de vele wonderen en tekenen door Jezus verricht. Hij gelooft dat Jezus zieken genezen kan en dat wonder ook aan zijn zoon kan verrichten. Hij laat zijn doodzieke zoon over aan de zorg van zijn huisgenoten en maakt de reis naar Kana. Gedreven door de nood van zijn stervende zoon en het geloof in het wonder dat Jezus verrichten kan.
Het is een zware tocht. Hij moet klimmen naar het zuidwesten vanuit de diepe ligging van de Zee van Galilea naar het hoger gelegen Kana. Een reis van 26 kilometer. Een zeer vermoeiende tocht.
Aangekomen in Kana zoekt hij de verblijfplaats van Jezus op. Hij bidt Hem aandringend en voortdurend af te komen naar Kapernaum om zijn stervende zoon gezond te maken. Nu zou je kunnen opmerken dat er veel aan zijn geloof ontbreekt. Hij gelooft niet onvoorwaardelijk door het alles helemaal aan Jezus over te geven. Hij schrijft aan Jezus voor wat Hij moet doen. Vervolgens vindt deze vader het nodig dat Jezus eerst afkomt.
Het kan natuurlijk niet zo zijn dat wij aan de Heere gaan voorschrijven hoe Hij handelen moet. Dat wij tegen de Heere zeggen hoe Hij ons bekeren moet. Een kerkelijk mens weet vaak zo precies hoe het gaat en langs welke weg, dat hij zo brutaal is dat maar aan de Heere voor te schrijven. Het is zeker waar dat de lichamelijke aanwezigheid van Jezus niet vereist is. Maar wie zou deze man lastig vallen. Zovelen hebben gevraagd of Jezus wil komen. Denk aan de hoofdman te Kapernaum, aan Jaïrus en anderen. Deze man heeft geloof dat Jezus zijn zoon door een wonder kan beter maken. Zo ook gebruiken wij onze medicijnen en de kennis van de arts, in geloofsafhankelijkheid van de Heere.
 
De reactie van Jezus valt tegen. Jezus zei namelijk tot hem: “Tenzij gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven.” Via de koninklijke hoveling zegt hij dit tegen de Joden in het algemeen. Zie maar wat er staat: Hij zei tot hem: Jullie…..
Hij wijst hier de ongeloofshouding en hardheid der Joden aan. Zij erkennen niet dat Jezus de Christus, de gezondene van de Vader is. Zij geloven wel in God, maar niet in Zijn Zoon. Ze zijn zeer traag om tot geloof in Hem te komen. Zij vragen om tekenen en wonderen zodat Hij zich kan legitimeren. Daarom verzucht Jezus hier dat zij, als zij geen tekenen en wonderen zien, niet in Hem zullen of willen geloven. Het is als bij de Egyptenaren. Pas na zo vele wondertekenen gaan zij door de knieën en laten het volk Israël gaan.
En toch heeft de Heere daarom juist tekenen en wonderen gedaan. Johannes schrijft in hoofdstuk 20 dat Jezus nog vele andere tekenen heeft gedaan. ”Maar deze zijn geschreven opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus de Zoon van God en gij gelovende het leven hebt in Zijn naam.” Als het ware willen die wonderen ons bij de hand nemen om naar Christus zelf gebracht te worden. De wonderen wijzen boven zichzelf uit naar Gods koninkrijk. Het is alsof Jezus wil zeggen: Zijn jullie zo verhard dat er tekenen en wonderen nodig zijn voor jullie geloven?
Maar er loert een gevaar om de hoek. Toen Jezus in Jeruzalem was geloofden velen in Zijn naam ziende zijn tekenen die Hij deed. Maar er staat bij: Maar Jezus zelf betrouwde hun zichzelf niet toe omdat Hij hen allen kende. (Joh.2,23 – 25) Er was wel een wondergeloof, maar geen geloof in Hem als de Zaligmaker. Er staat in vers 45 dat de Galileeërs Hem gastvrij ontvingen omdat ze zelf toen zij voor het paasfeest in Jeruzalem waren zijn tekenen hadden gezien. Jezus wil dus tot de vader zeggen: Je gelooft wel in Mij als wonderdoener, maar niet in Mijn persoon als Zaligmaker. En om dat laatste gaat het toch. Wel een wonder van genezing van het lichaam, geen zaligheid?
 
De Vader hoort dat aan. Maar zegt: Heere kom af, eer mijn kind sterft. Alsof hij zeggen wil: Dat is allemaal waar. Maar mijn kind ligt op sterven. Dat is mijn actuele nood. Kom alstublieft af.
U ziet dat we de Heere moeten zoeken in onze gezonde en goede jaren. In dagen van ziekte en nood drijven die zorgen boven, nemen ons helemaal in beslag en zoeken we uitkomst en genezing. Dan is er meestal geen plaats voor andere, voor geestelijke zaken. Gedenk aan Uw Schepper in de dagen uwer jongelingschap, zegt de Prediker, eer de kwade jaren komen.
 
Hoe reageert Jezus? Hij gaat niet mee, maar blijft in Kana. Hij spreekt geen woorden van bemoediging, noch doet een gebed tot zijn Vader. Hij geeft de vader een woord mee. ”Ga heen, uw zoon leeft.” Ik ga niet heen. Ga zelf maar heen. Maar weet en geloof dat uw zoon leeft. De Vader gelooft dat woord van Jezus en gaat heen.
 
We kunnen uit het vervolg opmaken dat hij de nacht in Kana doorbrengt. Het is al laat. In de nacht valt niet te reizen. De volgende morgen vroeg gaat hij op reis. De terugreis gaat sneller en gemakkelijker dan de heenreis. Hij daalt af én heeft Gods beloftewoord.
Zie, wat Gods woord vermag. Zijn dienstknechten reizen hun meester tegemoet. Zij zeggen hem dat zijn zoon leeft. De hoveling vraagt nauwkeurig wanneer zijn zoon gezond is geworden en de koorts is geweken. Wat blijkt nu? Het was gisteravond om zeven uur. De vader bekent dat het juist datzelfde ogenblik was waarop Jezus sprak: Uw zoon leeft.
De Vader is zo diep getroffen dat Hij zelf gelooft en zijn huis. Je zou kunnen z eggen dat er nu twee genezen zijn. De zieke zoon is weer gezond door het woord van de Heere. De koninklijke hoveling is om zo te zeggen geestelijk gezond door in Christus te geloven.
 
Het valt op dat er tot drie keer toe sprake is van geloof of geloven. De vader gelooft dat Jezus een wonder en teken kan doen aan zijn zoon door hem te genezen. Vervolgens gelooft hij het woord, de belofte van de Heere. Dat gaat dieper. Maar we verstaan dat het hierbij nog steeds gaat over zijn zoon en diens genezing. Aan het slot van vers 53 lezen we: En hij gelooft zelf en zijn gehele huis. Hier is sprake van een persoonlijk geloof in de Heere Jezus als de Messias, de gezondene van de Vader. Hij vertrouwt zich in totale overgave aan de Heere toe. Calvijn zegt er van: ”Maar nu begon hij op een ander wijze te geloven, omdat hij namelijk de leer van Christus aanvaardde en beleed een van zijn discipelen te zijn.”
Dit is het zaligmakend geloof in de Heere Jezus Christus. Zoals de Samaritaanse vrouw en de inwoners van Sichar dit geloof beleden. De hoveling werd een onderdaan van de Koning van het koninkrijk der hemelen.
 
Op deze wijze kwam deze man en vader tot geloof. Wij gaan niet zeggen dat het op deze manier ook met ons moet gaan.  We vragen wel: Waardoor wordt een mens zalig? Door het geloof in Gods Woord. Christus is niet meer lichamelijk onder ons tegenwoordig. Hij zit aan de rechterhand van de Vader. Wij hebben het Woord en de prediking. In dat Woord komt de Heere tot ons met zijn belofte. De belofte is de manier waarop God tot ons komt met zijn heil.  Hij heeft die belofte verzegeld door de doop. Hij roept ons op tot geloof in zijn woord, dat is in Christus.  
Want in dat Woord ontmoeten we de Christus. Het Woord verkondigen is u Christus voor ogen schilderen. Zodanig dat u niet zonder Hem kunt, als het ware niet van Hem af kan blijven en tot Hem de toevlucht neemt. Het geloof leeft uit dat Woord. De Heere geeft ons dat Woord mee: Mijn zoon leeft. Hij is dood geweest, Hij leeft tot in alle eeuwigheid. Door het geloof leer ik in gehoorzaamheid buigen voor dat woord. Leer ik uit dat woord mijzelf kennen en leer ik God kennen in en door de Heere Jezus. In het licht van de gekruiste Christus leer ik mij zelf meer en meer kennen als een totale zondaar. En in de duisternis van de kennis van mijn doodsbestaan gaat juist Christus uitblinken. Alles aan Hem is gans begeerlijk, zulk één is mijn Liefste. Dat geloof wordt weliswaar bestreden, kan klein en zwak zijn. Daarom hebben we het Woord en de prediking nodig om gesterkt te worden in het allerheiligst geloof.
             Zo gij zijn stem dan heden hoort
            Gelooft Zijn heil- en troostrijk woord
            Verhardt u niet, maar laat u leiden. 
 
Laten we met Gods Woord biddend bezig zijn. En het voor de Heer neerleggen en Hem wijzen op zijn eigen Woord
                    Gedenk aan ’t woord gesproken tot Uw knecht
                    Waarop gij mij verwachting hebt gegeven.
 
3. Geheimnis
Is de Heere Jezus een verborgenheid? De grootste verborgenheid? Zo wordt door sommigen wel beweerd. Eensdeels is dat waar. Heilshistorisch gezien. Het evangelie is een verborgenheid. Een mysterie, een geheimnis. De Bijbel spreekt van de verborgenheid der godzaligheid. Een verborgenheid is iets wat bij God verborgen ligt. Er is bij Hem zijn eeuwige heilsraad waarin de Vader Christus gesteld heeft om borg en middelaar te zijn. De verborgen raad van onze verlossing. Wij zouden daarvan geen kennis dragen als deze raad verborgen zou blijven. Maar God heeft zijn evangelie geopenbaard in de tijd en deze openbaring ligt vast in Zijn Woord. Daarom valt nu niet meer te zeggen dat Christus een verborgenheid is. Als dat zo was zou een mens voor zijn ongeloof een excuus hebben. 
 
Aan het slot van de geschiedenis van deze hoveling en zijn zoon staat: Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan als Hij uit Judea in Galilea gekomen was. Het eerste teken dat Jezus verrichtte was te Kana alwaar Hij op een bruiloft water in wijn veranderde. Daarin openbaarde Hij zijn heerlijkheid. Als Schepper. Door het onverwachte teken dat Hij water in wijn heeft veranderd. Zijn goddelijke heerlijkheid door een overvloed van de allerbeste wijn te geven. Zijn Middelaarsheerlijkheid. Deze wijn was een teken van het heil dat in en door Hem te verkrijgen is. De gaven en heilsgoederen van het koninkrijk der hemelen. Schep nu met vreugde water uit de fonteinen des heils. In Christus is een overvloed van zaligheid te verkrijgen.
Nu heeft Hij te Kana een tweede teken gedaan waardoor Hij weer zijn heerlijkheid openbaarde. Door zijn enkel woord in Kana gesproken werd de zieke zoon van de hoveling in Kapernaum genezen. Hij hoeft maar te spreken en het is er, te gebieden en het staat er. Door het Woord des HEEREN is heel de schepping ontstaan. En God zei. Hij is in zijn schepping een sprekend God en Zijn woord is met macht en daad. Hij heeft de kracht van zijn spreken getoond in de geschiedenis die Hij ging met zijn volk Israël. “Hij zond Zijn woord uit en heelde hen en rukte hen uit hun kuilen.” (Psalm 107: 20).
Christus toont de kracht van zijn woord in de herschepping. Een enkel woord van Hem doet de ziekte wijken en maakt gezond.  Zo kan Paulus ervan spreken en belijden: “Want ik schaam mij het evangelie van Jezus Christus niet. Want het is een kracht Gods tot zaligheid een ieder die gelooft, eerst de Jood en ook de Griek.” (Rom.1,16). En in de brief aan de Hebreeën lezen we: ”Want het Woord Gods is levend en krachtig en scherpsnijdender dan enig tweesnijdend zwaard en gaat door tot de verdeling der ziel en des geestes en de samenvoegselen en des mergs en is een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten.” (Hebr.4,12)
 
De kracht van het woord. Wij moeten het allen van Gods Woord hebben. Er is een relatie tussen Woord en geloof. Het Woord werkt het geloof en vraagt geloof. Het Woord wil  geloofd worden. Maar dat Woord is krachtig in de handen van de Geest zodat dat Woord beslag legt top het hart en ik er niet meer onderuit kan. Dat Woord legt heel mijn leven open en doet mij uit het evangelie van Christus leven. Dan ontmoet ik in dat woord de heerlijkheid van Christus, daarin geopenbaard.
Velen kruipen weg voor de eis des geloofs door op te merken dat het geloof een gave van God is. Juist omdat het geloof een gave van God is en de Heere belooft door wederbarende genade  het geloof te werken mag en kan ik geloven. Daarom blijft onverminderd staan de eis van geloof. Wat God vraagt, belooft Hijzelf te schenken. Het Woord vraagt geloof omdat het woord dat geloof werkt. Wij bidden: Heere, maak mij uwe wegen door Uw Woord en Geest bekend.
 
Er is nog iets. Er staat: En hij geloofde zelf en zijn gehele huis. Dat is opmerkelijk. Ook dit zou ik een geheimnis willen noemen , een geheimnis door de Heere in Zijn woord geopenbaard. Zo niet, dan hadden we dit niet geweten. Met dat de Vader gelooft is heel zijn huisgezin binnen de lichtkring van Gods evangelie gezet. Bij huis mogen we denken aan zijn gezin en personeel. We komen dit meer in de Schrift tegen. Bij Cornelius, de hoofdman te Cesarea. Deze heeft een engel in zijn huis gezien die tot hem zei mannen te zenden jaar Joppe om Simon Petrus te ontbieden. ”die woorden tot u spreken zal door welke gij zalig zult worden en al uw huis.” (Hand 11, 14)  In Handel 16 lezen we van Lydia. Zij werd gedoopt en haar huis. Tegen de gevangenisbewaarder werd gezegd: ”Geloof in de Heere Jezus Christus en gij zult zalig worden gij en uw huis.” 
De Heere betrekt op een of ander manier gelijk het huisgezin erbij. Tot allen van dat huis komt de belofte van zaligheid en de oproep tot geloof. Met dat de hoveling tot geloof kwam werd zijn gezin een christelijk gezin onder de koninklijke heerschappij van Christus. Geen huisgenoot kan hier meer onderuit. De Heere zet de koepel van zijn verbond over dat gehele huis. Dit geeft een rijke troost aan ouders die weet hebben van en smart dragen over het afdwalen van een of meer kinderen. U mag en kan de Heere wijze op zijn verbond en daarop pleiten. Onze kinderen staan mede met ons binnen het verband van Gods verbond. 
 
Velen hebben het moeilijk met het stuk van de uitverkiezing. Men kan zich er van afmaken op een heel rationele manier zodat alles eigenlijk klopt. Namelijk door alles te plaatsen onder de beheersing van de uitverkiezing. Dan zijn de beloften alleen voor de uitverkorenen, heeft  Christus geleden voor de uitverkorenen, mag de zaligheid hen alleen worden aangeboden en  zij mogen alleen pleiten op de beloften  Een strak uitverkiezingsschema.
Maar laten we eens zien. Ook hier is sprake van een geheimnis. Is het niet een wonder dat onze wieg in een christelijk gezin stond en we van jongsaf in en bij de Schriften zijn onderwezen en opgevoed? Ook dat is uitverkiezing. Wij wel en anderen niet. U bent misschien in een niet kerkelijk gezin geboren, maar kwam later door vrienden of door een huwelijk in de kerk. Ook dat is uitverkiezing. U wel en anderen niet. Uitverkiezing in algemene zin, om zo te zeggen. Kijk eens naar uw kinderen.  Samen met u onder Gods verbond en zijn evangelie.
Kijk, wij hebben niets met de uitverkiezing te maken, maar met de oproep die vanuit het Woord tot ons allen komt. En wanneer u tot Christus mag gaan om door het geloof uit Hem te leven, vindt u in Hem alles. Het geloofsleven gaat door de strijd heen. U mag dan zien wat achter dit alles ligt. In en door Christus uitverkoren. Wie zien mag op Christus weet dat hij in Hem is uitverkoren. Dat geeft troost en zekerheid in het leven.
 
Ongeloof is ongewoon, is zonde. De Heere wekt ons op tot geloof. Te mogen geloven is enkel genade. Wat is er op tegen naar de Heere uit te gaan? Hij zegt het: Mijn zoon leeft. En wie in  de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven. Geloven is amen zeggen op Gods woord en amen doen.