Een persoonlijk profetisch woord voor Baruch

MEDITATIE

Een persoonlijk profetisch woord voor Baruch.  
1. Het woord dat de profeet Jeremia gesproken heeft tot Baruch, de zoon van Nerija, als hij die woorden uit de mond van Jeremia in een boek schreef, in het vierde jaar van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, zeggende:
2. Alzo zegt de HEERE, de God Israëls, van u, o Baruch,
3. Gij zegt: Wee nu mij, want de HEERE heeft droefenis tot mijn smart gedaan; ik ben moe van mijn zuchten en vind geen rust.
4. Zo zult gij tot hem zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, wat Ik gebouwd heb, breek ik af en wat Ik geplant heb, ruk ik uit, zelfs dit ganse land.
5. En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoek ze niet; want zie Ik breng een kwaad over alle vlees, spreekt de HEERE; maar IK zal uw ziel tot een buit geven in alle plaatsen waar gij zult heentrekken.
Jeremia 45.   Een persoonlijk profetisch woord voor Baruch
1. De nood van Baruch
2. Het oordeel Gods
3. Belofte voor Baruch
 
1. De nood van Baruch
 
Zijn klacht
 
We leven in een gebroken wereld. Iedere sterveling kent zijn strijd. Ook een christen. Vooral een christen. Ook Baruch weet van grote zorgen en innerlijke strijd. Hij zegt: Wee nu mij. Hij beklaagt zich. Zijn hart schreeuwt het uit. Want de HEERE heeft droefenis tot mijn smart gedaan. Hij wordt als het ware overspoeld door lijden. Smart op smart stapelen zich op. Hij ziet omhoog en weet dat de Heere alles leidt en bestuurt. Ook deze grote nood van zijn leven heeft met de Heere te maken en komt van de HEERE. Hij ervaart daarin de hand des HEEREN. Ik ben moe van mijn zuchten en vind geen rust. Hij wordt van zijn zuchten en tobben geestelijk en lichamelijk moe. Hij kan niet tot rust komen.
In deze klacht resoneren de woorden van David uit Psalm 6. Ik ben moe van mijn zuchten. Ik doe mijn bed de ganse nacht zwemmen, ik doornat mijn bedstede met tranen.
Lijden en smart achtervolgen Baruch dag en nacht. Wanneer hij zich eenmaal te ruste heeft begeven, vindt hij de slaap niet. Juist in de nachten staat het leed hem scherp voor ogen. Al Uw golven en baren gaan over mij heen.
 
U kent dit wel, denk ik. Er is zoveel en allerhande leed in het leven. Zowel bij jongeren als bij ouderen. Soms neemt dat je helemaal in beslag. Je probeert elke dag weer door te komen, helaas vaak zuchtend, rusteloos, zonder uit- en doorzicht. Je kijkt omhoog en schreeuwt naar de hemel: Waarom doet U dat, Heere, en gaat U deze weg met mij? Waarom blijft het geestelijk allemaal zo ver weg en toegesloten voor mij?
 
De nadagen van Juda
 
Baruch was een vriend van de profeet Jeremia en diens persoonlijke secretaris. Wanneer Jeremia als profeet te Jeruzalem optreedt schrijven we de nadagen van Juda en het huis van David. Josia was de laatste Godvrezende koning, een echte zoon van David. Hij renoveerde de tempel en wilde het volksleven reformeren. Helaas vond deze reformatie geen diepe en blijvende weerklank in het volksleven. Juda lag als klein staatje ingeklemd tussen wereldmachten. Egypte in het zuiden en Assyrië en het opkomende Babylonische rijk in het noorden. Wanneer farao Necho van Egypte optrekt naar het noorden om Assyrië bij te staan in een poging de oprukkende macht van Babel in te dammen, trekt Josia hem tegemoet ten strijde en sneuvelt bij Megiddo.
Hij wordt opgevolgd door zijn zoon Jojakim, die een vasalkoning is van Egypte. De schatting die hij moet betalen aan Egypte drukt zwaar op het volk. Zelf leeft de koning in weelde en bouwt aan zijn paleis en gaat het volk voor in afwijkende wegen van de Heere. Naast de Jeruzalemse tempeldienst buigt men helaas voor de afgoden. Het volksleven kenmerkt zich door veel onrecht.
In het jaar 605 wordt farao Necho bij de Eufraat door Nebukadnezar van Babel verslagen. Met de macht van Assyrië was het gedaan en nu de farao van Egypte verslagen is, rukt de macht van het Babylonische rijk meer en meer op. Wanneer Jeruzalem door Babel wordt belegerd sterft de koning. Een deel van het volk wordt in ballingschap gevoerd. De laatste koning is Zedekia en in 586 wordt Jeruzalem door het leger van Babel ingenomen, stad en tempel verwoest en Juda in ballingschap gevoerd.
 
Opdracht aan Jeremia
 
Onder deze laatste koningen valt de profetische arbeid van Jeremia. Een tijdperk van ongeveer veertig jaren. Wanneer Jojakim vier jaren aan de macht is, in het jaar 605 voor Christus, krijgt Jeremia de opdracht van de Heere zijn gesproken woorden in een boekrol op te schrijven. Jeremia sprak in Jeruzalem te midden van het volksleven de woorden van de Heere. Aldus spreekt de HEERE Heere. Nu al 23 jaren vanaf het moment dat hij geroepen werd. We kunnen allen wel begrijpen dat het gesproken woord vervluchtigt en op den duur vergeten wordt. Daarom heeft de Heere, zegt onze belijdenis, in Zijn zorg voor ons en onze zaligheid, Zijn knechten de profeten en apostelen bevolen Zijn geopenbaarde woord op schrift te stellen. Dat geschreven woord kunnen we lezen en nog eens lezen en herlezen. Zo komt het tot ons. Niemand kan daar om heen. Aldus staat immers geschreven.
 
Het gemoed van Baruch
 
Jeremia koopt een boekrol en geeft zijn vriend Baruch opdracht de woorden op te schrijven. Jeremia dicteert en Baruch schrijft op. Het woord van de HEERE dat Baruch uit de mond van Jeremia moet opschrijven grijpt hem hevig aan. Jeremia heeft de zonden van het volk aangewezen. Opgeroepen tot bekering. Wanneer de bekering uitblijft komen de rechtvaardige oordelen van de HEERE. Het gevaar zal komen uit het noorden. Nu wordt duidelijk dat dit gevaar komt van het opkomende rijk van Babel. Juda zal dan weggevoerd worden. Stad en tempel verwoest. Helaas luistert het volk niet. Jeremia, zegt de HEERE, schrijf het op, misschien zullen ze nu luisteren en zich bekeren en Ik hun zonden vergeven.
 
De woorden van de Heere bevatten een geweldige waarschuwing, vol bedreigingen. Ze golven als het ware over Baruch heen. Woorden van gericht en ondergang. Wat zal er van Juda en Jeruzalem worden?  Wat zal er van hem zelf worden? Zullen ze allen onder het oordeel van de Heer eten onder gaan? Woorden die diep in zijn leven ingrijpen. Wee nu mij. Want de HEERE heeft droefenis tot mijn smart gedaan. Al die oordelen benauwen hem. Hij ziet enkel ondergang.
 
 Als Jeremia
 
Baruch lijkt op de profeet Jeremia. Noch het spreken noch het opschrijven van de woorden des HEEREN geschiedt automatisch of gaat aan hen voorbij. Integendeel. Zij raken hen diep. Jeremia lijdt zowel vanwege de inhoud van zijn profetie als vanwege zijn profeteren. Jeremia weet zich zowel aan de Heere als aan het volk verbonden. Het smart hem diep dat het volk maar blijft zondigen tegen de Heere en dat het niet luistert naar zijn prediking. Hij lijdt eronder dat de HEERE Zijn oordelen over het volk moet uitspreken. Hij lijdt eraan dat de relatie tussen de Heere en Zijn volk verbroken is. Hij weet zich zo met het volk één dat haar dreigende ondergang hem lichamelijk en geestelijk doet lijden.
Hij ervaart dat het volk hem vanwege zijn profeteren verwerpt en daarin de Heere verwerpt. Men staat hem naar het leven, zowel de mannen van zijn eigen dorp, als profeten en priesters, als de koning. Hij wordt in de gevangenis geworpen, in een modderkuil om daarin te sterven en tenslotte wordt hij tegen zijn in meegevoerd naar Egypte. Dit alles heeft Jeremia hevig aangegrepen en doen lijden. Ik ben gebroken vanwege de breuk der dochter mijns volks. Waarom is de gezondheid der dochter mijns volks niet gerezen? Och, dat mijn hoofd water ware en mijn ogen een springader van tranen. Zo zou ik dag en nacht bewenen de verslagenen der dochter mijns volks. (Jer.8 en 9)
 
Het lijden van Baruch
 
Dit lijden treffen we ook bij Baruch aan. Dit kleine hoofdstuk doet ons blikken in zijn gemoed. Hij lijdt onder de vele zonden en de onbekeerlijkheid van het volk. Hij lijdt onder al die oordelen en gerichten die bij het opschrijven als het ware over hem heengaan. Heere, u voegt smart bij smart. Zal het volk dan ten onder moeten gaan? Hoe schrikkelijk zijn de zonden. 
 
Nu moet u erop letten op welke plaats dit hoofdstuk staat. Eigenlijk moet het staan in hoofdstuk 36 waar verteld wordt over het opschrijven van de woorden van de Heere. Immers lezen we in vers 1: Als hij de woorden van Jeremia in een boek schreef. We worden meegenomen naar dat moment. Sindsdien is er veel gebeurd. Heel veel. In de voorgaande hoofdstukken is verhaald dat koning Jojakim de boekrol heeft verbrand, Jeremia en Baruch zich moesten verbergen, dat de zonden van het volk zijn doorgegaan, het volk is weggevoerd en stad en tempel zijn verwoest. Baruch lijdt er nog steeds onder. Wanneer hij het hele verhaal over de profeet heeft verteld, voegt hij dit hoofdstuk er aan toe. Zoals hij zich voelde bij het beschrijven van de boekrol, zovele jaren geleden, zo lijdt hij nog onder de oordelen van de Heere vanwege de zonden van het volk. 
 
Een profeet en zijn helper, die lijden aan de dienst des HEEREN waartoe zij zich geroepen weten. Omdat zij zich helemaal betrokken weten bij de HEER en Diens volk.
Wee nu mij, want de HEERE heeft droefenis tot mijn smart gedaan. Hij lijdt onder de oordelen Gods die over Juda gaan omdat zij zich niet bekeert.
 
Een herkenbare klacht
 
Het is een klacht geuit door velen van hen die geroepen zijn tot arbeid in de dienst van de Heere. Een eerlijke bediening van het woord is ontdekkend, radicaal en roept op om geheel te leven van vrije genade in Christus. Dat roept veel weerstand op. Deze dienst geeft teleurstelling en vraagt zelfverloochening. Immers velen gaan helaas aan het Woord voorbij en komen niet tot geloof. Dat geeft diepe smart. Hoe zal het met hen gaan wanneer ze voor de Heere verschijnen?
 
Een klacht geuit door velen die lijden aan het kerkelijk leven. Die gebukt gaan onder de kerkelijke verdeeldheid en verwarring en verstarring. Die lijden onder geesteloosheid en liefdeloosheid. Wee nu mij, want de HEERE heeft droefenis tot mijn smart gedaan. Niet dat de Heere de schuld kan gegeven worden, maar ze ervaren in de gebrokenheid van de kerk  eigen zonden, maar ook min of meer het oordeel des Heeren daarover.
 
Een klacht geuit door menigeen die lijdt onder de verdergaande secularisering en verharding in de maatschappij. En zo weinig zien en horen van het doordringende getuigenis van de christelijke kerk. Een maatschappij die zich niet tot de Heere bekeert en straks komt onder Gods oordeel.
 
Een klacht geuit door menigeen vanwege de zorgen van het leven. Heere, waarom toch steeds maar weer die nood en zorgen? Tobben met de gezondheid lichamelijk of mentaal, tobben  met financiële zorgen, met de kinderen, met verlies van dierbaren, met het feit dat men vaak zo weinig begrip bij anderen vindt. 
 
Een klacht geuit door menigeen die lijdt onder eigen zondelast en zondeschuld en de straffende en veroordelende hand van de Heere. Ik heb tegen U, U alleen gezondigd. Die lijdt in tijden van geestelijke verlatenheid. Dat mijn zonden mij een voorwerp maken van Gods toorn. Al Uw baren en golven gaan over mij heen.
 
2. Het oordeel Gods
 
Aangesproken door het Woord
 
Baruch zal deze klacht tegenover Jeremia hebben geuit. En de profeet is met de klacht van Baruch tot de Heere gegaan. De profeet kreeg woorden van de Heere voor de volken, maar ook voor sommigen persoonlijk. Jeremia mag namens de HEERE een persoonlijk woord tot Baruch spreken. Zo zult gij tot hem zeggen: Zo zegt de HEERE. Het zuchten van Baruch wordt aanleiding tot een woord van de HEERE tot hem.
We moeten niet ervan uitgaan dat iemand van ons zo heel persoonlijk een woord regelrecht van de Heere krijgt. Gods woord, de kanon van Gods Woord, is afgesloten. Wel spreekt de Heere tot ons heel persoonlijk vanuit Zijn Woord. Door het geloof gaan we dat verstaan.
Ik roem in God, ik prijs zijn onfeilbaar woord,
ik heb het zelf uit zijne mond gehoord.
Weet u zich persoonlijk vanuit het Woord aangesproken. Vermanend en ontdekkend. Of sluit u de oren daarvoor? Vertroostend en bemoedigend. Of legt u dat naast u neer? Weet en besef dat de HEERE u aanspreekt. Zo gij Zijn stem dan heden hoort.
 
Grote dingen zoeken
 
De HEERE zegt tot Baruch: En zoudt gij u grote dingen zoeken? Zoekt ze niet.
Baruch heeft deze vermaning begrepen. Wij zitten met de vraag wat de HEERe in dit antwoord met ”grote dingen” bedoelt. Zocht Baruch grote dingen voor zichzelf? We krijgen de indruk dat hij een bescheiden en zeer trouw persoon was. Trouw aan de profeet en aan de HEERE. Maar niet iemand die op de voorgrond treedt. Immers, pas nadat hij veel over Jeremia heeft geschreven, voegt hij dit kleine hoofdstuk over zichzelf eraan toe.
Grote dingen. Heeft hij gedroomd van een prachtige carrière in het leven en van een bepaalde roem in de dienst des Heeren? Was hij teleurgesteld, geschokt dat het heel anders was gelopen, dat hij in de dienst des HEEREN zoveel lijden en smart ervoer?
Grote dingen. Zocht hij voor Juda en voor hemzelf een grootse staat in plaats van al die oordelen?
Grote dingen. Verlangde hij naar de bekering van het volk en de afwending van het oordeel? En is hij nu diep teleurgesteld?
 
Baruch, zoekt ze niet, want daar zijn de tijdsomstandigheden niet naar. Het is een tijd van crisis, van oordeel.
 
Uitrukken en afbreken
 
Zo zegt de HEERE: Wat Ik gebouwd heb, breek Ik af, en wat Ik geplant heb ruk Ik uit, zelfs dit ganse land. Mijn oordeel is onafwendbaar. Bedenk, Baruch, jij lijdt onder de oordelen en gerichten die rechtvaardig Juda moeten treffen. Maar voor Mij ligt dat alles veel en veel  ingrijpender en smartelijker. Ik moet gaan afbreken wat Ik zelf heb gebouwd. En Ik moet gaan uitrukken wat Ik zelf heb geplant.
 
We herinneren ons dat dit de opdracht was toen de Heere Jeremia riep tot profeet. Om uit te rukken en af te breken, om te verstoren en te verderven, ook om te bouwen en te planten. (1,10). Onheil over allen die zich niet bekeren. Heil voor allen die zich bekeren door Gods genade.
Het oordeel woog de Heere zwaar. Tot vier keer toe onheil tegenover tot twee keer toe heil. En nu, Baruch, het volk is zo vaak gewaarschuwd en heeft dat alles in de wind geslagen. Mijn rechtvaardig oordeel is onafwendbaar. Ik heb het volk geplant tot Mijn eer. Het heeft haar roeping niet verstaan, maar verzuimd. Nu ga Ik het uitrukken. Ik heb de stad Jeruzalem gebouwd. Maar vanwege haar zonden moet Ik de stad afbreken.
Ik breng kwaad over alle vlees. Juda is vlees, zondig. Gods oordeel komt over haar. Stad en  tempel worden verwoest en het volk komt als vreemdelingen in den vreemde.
 
Zou je onder zulke omstandigheden grote dingen voor jezelf zoeken? Nee, Baruch, ik neem je helemaal op in Mijn dienst. En dat betekent samen met Jeremia toch doorgaan met Mijn woord. Ook al is het een woord van oordeel en al betekent dat lijden door haat en vijandschap ertegen.
 
Bouwen en planten?
 
Maar het bouwen en planten dan? Waar blijft het heil? We moeten zeggen dat als de bekering van de mens zou afhangen deze er nooit zal komen. Daarom blijft het oordeel van uitrukken en afbreken. Toch heeft de Heere heeft daarover tot Jeremia gesproken: ”En Ik zal mijn oog op hen stellen ten goede en zal hen wederbrengen in dit land en Ik zal hen bouwen en niet afbreken en zal hen planten en niet uitrukken. En Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen dat Ik de HEERe ben en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ik zal hun tot een God zijn, want zij zullen zich bekeren tot Mij met hun ganse hart.” (24,6)
Dat is nog al wat. Een heerlijk woord. Een rijke belofte. Het volk is uit de ballingschap teruggekeerd. Maar toch heeft het niet aan haar roeping voldaan. Blijft toch het oordeel over Israël en de volken. Afbreken en uitrukken.
 
En die belofte dan?
Wel. De Vader heeft Christus gezonden in deze wereld onder het oordeel. Dat is het kruis. Christus is in het oordeel gaan staan en heeft het oordeel over de wereld van uitrukken en  afbreken ten volle ondergaan. Hij heeft het ook weggedragen en overwonnen. Vanwege zijn kruis en opstanding zal de HEERE bouwen en planten. Door Woord en Geest geeft de Heere geloof en bekering. Door het geloof in Christus wordt de verbondsbelofte waar: Jullie Mij tot een volk en Ik u tot een God.
 
Baruch, zoudt gij u grote dingen zoeken. Zoek ze niet.
Mensenkind, moet u in het licht van het oordeel op de dag van de wederkomst als de Heere zal afbreken en uitrukken alle ongelovigen de grote dingen van de wereld zoeken? Gaat het u slechts om de materiële dingen van een wereld die voorbijgaat? 
Zoek ze niet. Maar zoek Christus. Ga toch naar Hem uit.
 
Baruch, zoek je grote dingen, zodat het oordeel wordt afgewend en het volk zich bekeert?  Zoek ze in en door Christus uit genade. Dan zal het waar zijn. Zovele beloften als er zijn die zijn ja en amen in Christus.
 
3. Belofte voor Baruch
 
Zijn leven gespaard
 
Toen Baruch de woorden van de HEERE gesproken door de mond van Jeremia schreef op de boekrol, werd hij overweldigd door de oordeeldreigingen van de Heere. Volkomen rechtvaardig, dat wel. Maar toch! Moet Juda, het volk van de HEERE, geheel ten ondergaan? En hoe zal het met hemzelf gaan? Samen met zijn volk in ballingschap gevoerd?
De HEERE voegt er nog een bemoedigend woord voor Baruch persoonlijk aan toen. Een rijke belofte. ”Maar Ik zal u uw ziel tot een buit geven in alle plaatsen waar gij zult heentrekken.”
Baruch zal niet door zwaard, honger of pest omkomen. Het oordeel van uitrukken een afbreken zal hem niet treffen. De Heere had dit ook aan Ebed- Melech, de kamerling van koning Zedekia, beloofd. (39,18.) Gij zult uw ziel tot een buit hebben, omdat gij op Mij vertrouwd hebt.
 
Baruch heeft uitdrukking gegeven aan zijn grote nood. De toestand van het volk is desastreus. Alles wankelt. De Heere kan niet anders doen dan uitrukken en afbreken. Baruch krijgt een  persoonlijke belofte die spreekt van Gods bescherming over hem.
Baruch, ik heb voor u uw ziel gegeven tot een buit. Een buit is wat uit men de hand van de vijand zou kunnen redden. Zijn ziel, zijn leven zal als een buit dwars door het oordeel gered worden en veilig zijn. De Heere legt beschermend uit genade Zijn hand om het leven van Baruch. Een heerlijke belofte.
 
Door de beproeving
 
Dat is nu wel mooi, maar ga eens na wat er nadien allemaal is gebeurd. Toen de boekrol door Baruch geschreven werd voorgelezen heeft de koning stukje bij stukje de rol stukgesneden en verbrand. Koning Jojakim gaf opdracht Jeremia en Baruch gevangen te nemen. Baruch, zie op het woord van de HEERE en vertrouw op Hem. De HEERE maakte Zijn woord waar en  beschermde zowel de profeet als zijn dienaar. Maar de HEERE had hen verborgen, zo staat er. Het leger van Babel kwam naar Jeruzalem en heeft een deel van het volk meegevoerd. Weer was Baruch in gevaar. De Heere maakte zijn belofte waar. Later kwam weer het leger van Babel en werden stad en tempel verwoest en Juda in ballingschap gevoerd. Baruch bleef gespaard. We weten dat Jeremia en Baruch daarna door een groep Judeeërs zijn meegevoerd naar Egypte. Hij zal daar tot hoge ouderdom geleefd en gewoond hebben.
De Heere gaf hem een rijke belofte. Maar Zijn weg voerde daarna door beproevingen heen. Door het geloof mocht Baruch zich vasthouden aan die belofte in hartelijk vertrouwen om zich geheel aan de HEERE toe te vertrouwen. En alles alleen van hem te verwachten.
Ik roem in God, ik prijs zijn onfeilbaar woord.
Wat sterveling zou mij dan schenden?
 
Leven uit een belofte geeft geen zorgeloosheid, maar maakt heilig werkzaam. Leert juist in de moeiten en strijd van het leven alles alleen en volkomen van de belovende God te verwachten.
U zegt, kreeg ik ook maar zulk een belofte. Ik heb nimmer een belofte van de Heere gekregen. Daarin vergist u zich. De HEERE komt in Zijn woord tot u en mij als een belovend God  omkleed met Zijn belofte. Ga toch naar Hem uit in het geloof om amen te mogen zeggen op Zijn Woord en vandaar uit in verwachting op hem te leven.
 
Eeuwig leven
 
Toch is eens Baruch gestorven? Gold toen die belofte niet meer? De Heere heeft hem door de dood heen zijn leven, zijn bestaan, als een  buit gegeven. Om Christus’ wil. 
 
Welk een wonder. Wie zich zondaar weet voor en onder de Heere erkent dat hij het oordeel waardig is. Door de HEERE geplant en gebouwd, geschapen naar zijn beeld. Gezondigd. De dood verdiend. De Heere moet mij afbreken en uitrukken.
Maar wie gelovig tot Christus de toevlucht neemt, wordt ontslagen van het oordeel en ontvangt het eeuwige leven.
Zou je grote dingen zoeken?
Zoek ze niet.
Zoek Christus. Dan zal ik mijn leven ontvangen als een buit, voor eeuwig.