De ure der verheerlijking

M E D I T A T I E 
De ure der verheerlijking  
”En er waren sommigen Grieken uit degenen die opgekomen waren opdat zij op het feest zouden aanbidden.Dezen dan gingen tot Filippus die van Bethsaïda in Galilea was en baden hem, zeggende : Heer, wij wilden Jezus wel zien.Filippus kwam en zei het Andreas en Andreas en Filippus wederom zeiden het Jezus.Maar Jezus antwoordde hun zeggende: De ure is gekomen, dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden.”
Johannes 12, 20 – 23  
 

Wat een geweldige vraag welke deze Gieken aan Filippus stellen. Zij komen naar hem toe en vragen: Meneer, wij willen Jezus wel zien. Dat zou je toch maar overkomen en gebeuren dat mensen uit je omgeving of van ver naar je toe komen met deze vraag. Meneer, mevrouw, u bent christen en u zegt dat u door het geloof uit Christus leeft. Misschien zeggen ze zelfs tegen u dat het aan uw levenswandel te merken is. Ik zou Hem ook willen zien, willen leren kennen.
Zeg mij, waar kan ik Hem ontmoeten en hoe kan ook ik Hem leren kennen. Filippus en Andreas brengen deze vraag aan Jezus over. Het is heel opmerkelijk dat Jezus aan de beide discipelen als antwoord geeft: De ure is gekomen dat de Zoon des mensen zal verheerlijkt worden. Uit de vraag van deze Grieken trekt Jezus de conclusie dat nu het ogenblik is aangebroken dat Hij verheerlijkt zal worden. Waarom verbindt Hij zijn op handen zijnde verheerlijking met deze vraag?  
Paasfeest
In ieder geval is duidelijk dat nu het ogenblik is aangebroken dat Jezus specifiek de weg gaat van zijn lijden en sterven. Hij neemt daarvoor als uitgangspunt het Paasfeest. Het feest van de voorbijgang, van de bevrijding van Israël uit het diensthuis van Egypte. Wanneer Hij met zijn discipelen op donderdagavond in de opperzaal te Jeruzalem dit paasfeest viert, spreekt Hij niet alleen met hen over zijn lijden en heengaan, maar geeft Hij hen de tekenen van zijn dood. Zo dikwijls als gij dit brood zul eten en deze drinkbeker zult drinken zo verkondigt de dood des Heeren totdat Hij komt. Met zijn avondmaal wil de HEERE ons geloof in de gekruiste Christus sterken. Doe dat, zegt Hij, tot mijn gedachtenis.
Hij vervult met het Avondmaal het paasfeest. Hij brengt het paasfeest tot haar wezenlijke  betekenis. Door het geloof in Zijn bloed ontvangt een mens vergeving der zonden en wordt hij uitgeleid uit het slavenhuis van de zonden om Hem te dienen. Ons geloof heeft juist in de beproevingen van het leven de versterking nodig. Zodat we meer en meer leren onze doodstaat te belijden, van alles af te zien en alleen de toevlucht tot de gekruiste Christus te nemen.  
De Koning naar Jeruzalem
Ter gelegenheid van het paasfeest waren velen uit heel het land naar Jeruzalem getogen. Het zijn duizenden pelgrims. In de laatste week voor het feest vervullen zij de verplichte reiniging om aan de cultus deel te kunnen nemen. Voor het bezoek van de tempel waren de pelgrims gewoon een ritueel bad te nemen in een badhuis. Dat bad wil zoveel zeggen als: Zonder bekering kun je niet naderen tot de Heere. Zij komen om op het feest te aanbidden, dat is voor Hem te buigen en Hem te eren.
Op het grote tempelcomplex heerst een spanning onder de mensen. Zij praten met elkaar over de vraag of Jezus weer zal verschijnen op het feest. Wat denken jullie? Zal Hij echt niet komen?
Hij kómt naar Jeruzalem. Jezus heeft de zondag doorgebracht in Bethanië. De  volgende dag, maandag, trekt Hij naar de stad waar Hem het kruis wacht. Op een zeer bijzondere wijze presenteert Hij zich aan de stad als haar Koning, de grote Davidische koning, door de profeten beloofd. Hij nadert vanaf de Olijfberg de stad, vergezeld van een grote schare. Zij nemen takken van de bomen en leggen deze met klederen op de weg. De Koning treedt voort over de loper.
Wanneer de feestgangers in Jeruzalem vernemen dat Jezus inderdaad naar de stad komt, gaan zij Hem met palmtakken tegemoet. Zij willen Hem als een vorst en bevrijder binnenhalen. Zij begroeten Hem spontaan als een koning. Hosanna. Gezegend is Hij die komt in de naam des Heeren, de koning van Israël.  
Op een ezel
Jezus nadert de stad niet te voet. Een koning komt immers met een vervoersmiddel. Hij komt niet met strijdwagens, onder vertoon van macht om het volk slechts van de Romeinen te verlossen. Neen, Hij rijdt op een ezel als de vorst die vrede brengt. In alle eenvoud en nederigheid ook. Eerst wacht Hem immers het kruis. Het is alsof we terug zijn in de dagen van koning David die ook op een ezel reed. Jezus presenteert zich aan de stad als een koning, haar koning. Hier is de grote zoon van David.  
Voor alle volken
De stad ingekomen gaat Hij door naar de tempel om alles van rondom te bezien. De volgende is Hij weer in de tempel en legt heel het bedrijf stil. Hij staat niet toe dat iemand iets over dat plein draagt, zelfs geen vat dat in de tempel gebruikt wordt. Mijn huis zal een huis des gebeds zijn voor alle volken. Maar gij hebt het tot een kuil van moordenaars gemaakt. Als een oordeel over haar ongeloof en verwerping van Jezus legt Hij de tempel stil. Jullie gaan aan Mij voorbij, geloven niet in Mij. Wat voor zin heeft deze dienst van jullie dan in de tempel? Het is het huis van mijn Vader en daarom ook van Mij. Een huis van gebed voor alle volken. Maar jullie haten Mij en zoeken mij te doden. Jullie maken er een kuil van moordenaars van. Hij presenteert zich op dat plein als het lam en de Priester. Hier is nog als het ware een laatste klemmende oproep om toch tot geloof te komen in Hem alleen.  
Enkele Grieken
Onder de pelgrims die in de stad zijn ter gelegenheid van het paasfeest zijn ook enkele Grieken die gekomen zijn om te aanbidden. Grieken, mensen van Griekse afkomst en helemaal gedrenkt in de Griekse cultuur. Mogelijk wonen zij in Griekenland en zijn nu als pelgrims in de stad Jeruzalem. Zij waren gewoon regelmatig een pelgrimstocht naar Jeruzalem te maken. Zij behoren tot de zogenaamde Godvrezenden, heidenen die met de joodse godsdienst meeleefden, zonder echter besneden te zijn. Zij hadden zich teleurgesteld van het dienen van hun afgoden afgewend en hadden ook bij de Griekse wijsheid geen  bevrediging gevonden. Zij wenden zich tot de joodse godsdienst en de God van de joden. Zij bezoeken de synagoge en houden zich aan de sabbat. Zij zijn welkom op het grote voorhof der heidenen.  
Vraag aan Filippus
Welnu, deze Grieken richten zich tot Filippus met de vraag: Meneer, wij willen Jezus wel zien. De Jezus. Wellicht sprak men ver over de grenzen over Hem. Nu zij hier in Jeruzalem zijn willen zij Hem ook eens ontmoeten en met Hem spreken. Misschien was Jezus van het voorhof der heidenen de tempel verder binnengegaan. Daar mogen zij niet komen. We kunnen vragen waarom zij zich tot Filippus wenden. Wel, de reden is eenvoudig en ligt voor de hand. Van alle leerlingen van Jezus komt hij hen het meest vertrouwd voor. Filippus heeft evenals Andreas een Griekse naam. Hij is afkomstig uit Bethsaida. Een stad op de grens van Galilea en Gaulanitus, een grensstadje. Van huis uit is hij vertrouwd met de Grieks taal en cultuur. Hij is de man om deze Grieken te woord te staan. De Grieken vragen hem: Meneer, wij wilden wel Jezus zien. Zij willen Jezus graag ontmoeten en verzoeken aan Filippus of hij dat voor hen kan regelen. 
Een heerlijke vraag
Een heerlijke vraag. Laten we maar gelijk op ons zelf letten. Stelt u die vraag? En jij? Bent u verlegen om Jezus te zien en Hem te kennen? De wereld vermaakt zich met haar idolen van bepaalde muziek en seks. Ouderen gaan op in wat de wereld aan materieel genot biedt. Maar Jezus? Ach, velen kennen Hem niet eens. Men misbruikt zijn naam als een stopwoord of krachterm. Maar behoefte aan Hem? Nee, ga mijn deur maar voorbij, bekeerd ben ik al. Maar u en ik? Wij, als mensen van de kerk. Hoe staat het met ons die van jongs af onder de waarheid zijn opgegroeid. Vraagt ú naar Jezus.? Verlangt u naar de diensten waarin vanuit het Woord de Borg en Middelaar wordt uitgeschilderd? Of hebt u genoeg aan wat godsdienstigheid. Of kruipt u weg achter uw redeneringen van onvermogen tot geloof en bekering. Wij wilden Jezus wel zien. Ga toch naar Hem uit zoals Zacheüs enkele dagen terug. Hij klom in de boom om Jezus te zien en de Heere ging niet voorbij, maar stond bij zijn boom stil. Haast u en kom af, want Ik moet heden in uw huis blijven.
Ik wil Jezus wel zien. Jongeren, zeg eens, is er wat in je leven veranderd zodat je niet meer met de dingen van de wereld mee kunt en je naar de Heere gaat vragen? Heb je de leegheid  van de wereld en je eigen zondig bestaan leren kennen en bewenen en smeekt je ziel om de Borg vanuit het Woord te mogen zien?
Ik wil Jezus wel zien. Bent u begerig om Hem te kennen en meer en meer te  kennen? Om als een boetvaardige aan Zijn Tafel te zitten en onder het eten van het brood en het drinken van de wijn Hem te zien? Is Hij voor u alles?
Gaat u een weg van druk en moeiten en dreigt u de koers kwijt te raken en schreeuwt uw ziel om Hem te zien, de Man der smarten die verzocht geweest is in krankheid om in Hem te rusten? Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstromen, alzo schreeuwt mijn zie tot u o Heere? .
Ik wil Jezus wel zien. Is het u werkelijk om Jezus te doen met en door wie u en ik alleen met God verzoend kan worden? Onderzoek u of u in het geloof bent. 
De aarzeling van Filippus
Deze Grieken vragen aan Filippus dat zij Jezus wel wilden zien. Wat dreef hen eigenlijk tot die vraag? Zij hebben in Griekenland van deze rabbi gehoord. Nu in Jeruzalem ervaren zij de spanning onder de feestgangers. Zij hebben vernomen dat Hij de koning van Israël is. Dat Hij sprak dat de tempel een huis des gebeds is voor alle volken. Zij zitten vol vragen. Zij willen Hem wel zien en ontmoeten om van Hem nader onderwijs te ontvangen, om te weten wie Hij is opdat ook zij in Hem geloven mogen. Of Hij ook voor hen gekomen is.
Maar erg spontaan reageert Filippus niet. Hij is wat met de vraag verlegen en bespreekt deze eerst met Andreas. Samen leggen zij dan de vraag bij Jezus zelf neer. De aarzeling valt te verklaren. Jezus had immers de twaalf uitgezonden niet op de weg van de heidenen, maar veeleer tot de verloren schapen van het huis van Israël. Jezus wees de zending onder de heidenen niet af. Beslist niet. Maar voor dat moment gaf Hij zijn leerlingen een actuele opdracht. (Mt10:5 en 6) Zij moeten nu eerst naar de joden. Die worden verloren schapen genoemd omdat zij Jezus niet erkennen. Misschien zijn zij wat bang voor eigen volk als zij zich tot de heidenen wenden. Immers was Jezus uitgeroepen tot koning van Israël. 
Het uur van zijn verheerlijking
Het is eigenlijk jammer, dat we niet lezen hoe het met deze Grieken verder ging. Jezus geeft wel een antwoord aan zijn leerlingen temidden van de schare. Jezus concludeert uit de komst van deze Grieken dat het uur van zijn verheerlijking is aangebroken. Er treedt nu een andere, blijvende toestand in. Deze vraag van de Grieken is een signaal van de toebrenging der volken. Immers, dat er heidenen zijn die naar Hem vragen is een teken dat Zijn ure is gekomen. Geheel overeenkomstig de profetie van het Oude Testament. Zijn ure is gekomen. Na zijn lijden en sterven, opstanding en hemelvaart zal blijken dat Hij een Middelaar is voor alle volken. Dat deze Grieken komen is als het ware een voorspel op het pinkstergebeuren. De middelmuur des afscheidsels wordt afgebroken. Jezus, ogenschijnlijk een mens als iedereen, zal blijken te zijn de Redder der wereld. Hij zal verheerlijkt worden. Het kruis wordt zijn verheerlijking. Wereldwijd zal de vrucht blijken van zijn kruislijden.
Hier gaat ook in vervulling het gebed van Salomo bij de inwijding van de tempel. Hij bad voor de veemdelingen. (1 Kon. 8, 41 – 43). Opdat alle volken der aarde Uw naam kennen om u te vrezen gelijk uw volk Israël.   
Jezus is Koning voor mensenkinderen uit de joden, maar ook uit alle volken. Laten ze toch komen. Hij wordt verheerlijkt in het komen tot Hem van joden en heidenen. Opdat Mijn huis vol worde.
Zegt u het na? Ik wens wel Jezus te zien. Opdat ik Hem kenne. En meer en meer kenne. Zijn verheerlijking is deze, dat zij zullen komen van noorden,  oosten, westen en zuiden en met Abraham, Izak en Jakob zullen aanzitten in Gods koninkrijk.
Zijn verheerlijking opent de mogelijkheid tot zaligheid voor zondaren vanwaar zij ook komen en wie zij ook zijn mogen.  Want alzo lief heeft God de wereld gehad dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve, maar  het eeuwige leven hebben.