2 Samuël 15 vers 23

2 samuël 15 vers 23
M E D I T A T I E 
David vlucht uit de stad Jeruzalem voor zijn zoon Absalom
”En het ganse land weende met luider stem als al het volk overging; ook ging de koning over de beek Kidron en al het volk ging over, recht naar de weg der woestijn.”
2 Samuel 15: 23  
 

Absaloms verzoek
Koning David vlucht uit de stad Jeruzalem voor zijn zoon Absalom. Dit is ongetwijfeld een diep ingrijpende en tragische episode in Davids leven. Hij is diep bedroefd en tegelijk actief. Hij is verslagen, maar weet ook op een beheerste wijze maatregelen te nemen. Hij buigt onder de Heere en houdt aan de Heere vast. Hij vlucht, maar gaat zijn weg in geloof. 
Op een keer krijgt de koning bezoek van zijn zoon Absalom. Op dat moment kan hij niet vermoeden wat er achter zit. Absalom vraagt zijn vader verlof heen te gaan naar Hebron om zijn aan de Heere gedane gelofte in te lossen. Jaren geleden heeft Absalom zijn broeder Amnon laten vermoorden. Hij vluchtte naar zijn grootvader Thalmai, koning te Gesur. Wanneer er drie jaren verstreken zijn krijgt hij verlof naar Jeruzalem terug te keren en daarna duurt het nog twee jaren voor hij zijn vader onder ogen mag komen en ze zich met elkaar verzoenen. Heeft dit bij Absalom bitterheid tegen zijn vader opgewekt? Bij zijn bezoek vertelt hij zijn vader dat hij de Heere beloofd heeft Hem te dienen, dat is Hem te vereren door middel van een offer, wanneer hij uit ballingschap zou mogen terugkeren. Inmiddels zijn er vier jaren verstreken. Absalom is wel zeer laat met het inlossen van zijn gelofte. 
David staat het hem toe. Ga in vrede, zegt hij. Het is aangrijpend te bedenken dat dit het laatste gesprek is tussen vader en zoon. Het laatste woord van de vader tot zijn zoon. In dat licht krijgt dit woord nog meer betekenis. Je zou wensen voor Absalom dat hij dit woord van zijn vader had verstaan en inderdaad zijn weg ging in vrede, in sjaloom, dat wil zeggen in en door het heil van God. Dat ook zijn sterven straks een heengaan in vrede zou zijn. Vrede is immers het beste wat je elkaar kunt toewensen 
Staatsgreep
Absalom staat tegen zijn vader op en grijpt naar diens troon. Hij laat zich te Hebron tot koning zalven. Deze staatsgreep is door hem lang en zorgvuldig voorbereid. Hij zendt spionnen het land door en zij krijgen de opdracht op de sjofaar te blazen. Zij trekken het land in en het hoornblazen wordt van de een door de ander overgenomen, het land door. Wanneer de Israëlieten dit horen moeten zij roepen dat Absalom koning is. Achitofel, de raadsman van zijn vader, staat aan zijn kant. De opstand neemt grote vormen aan en zeer veel Israëlieten kiezen de zijde van Absalom.
We kunnen ons afvragen waarom hij de stad Hebron hiervoor heeft uitgekozen. Er valt te zeggen dat David in deze plaats tot koning is gezalfd. Hij wil voor zijn vader niet onderdoen.  Trouwens, in deze stad is Absalom geboren. Vanouds is Hebron het middelpunt van Juda en hier is een heiligdom. Wellicht heeft Absalom het tijdstip van een offerfeest uitgekozen.  
Opstand
Tijdens de voorbereiding tot deze opstand heeft hij door middel van allerlei maatregelen het hart der mannen van Israël gestolen. Dat betekent niet alleen dat hij hen voor zich innam, maar dat hij ze onder het gezag van David weg roofde. Aan David wordt verhaald dat het hart van een ieder in Israël achter Absalom aangaat. De opstand is een daad die uit het hart, het centrum van hun leven komt. Met hun harten keren zij zich van David af en volgen Absalom na. David is een theocratisch koning. In zijn regering laat hij zien dat God de HEERE  koning is en hij wil het volk leiden op de weg van het dienen van de Heere. David als koning gehoorzamen staat dus in direct verband met het dienen van de HEERE. Absalom keert zich van zijn vader en dus van diens theocratisch koningschap af en gaat een eigen weg, waarin hij niet de Heere dient maar zichzelf. In wezen is het afval van de levende God.
Dit is het aangrijpende bij deze staatsgreep. De opstand is een vrucht van de keus van de mens in het paradijs. Zonde is opstand tegen de levende God. We zien als in een spiegel onze eigen wegen die zo vaak van de Heere afgaan. Keert weder, gij afkerige kinderen, zegt de Heere, en ik zal uw afkeringen genezen. De Heere roept ons op tot bekering met zijn belofte van vergeving. Zulk een God is Hij. Zijn naam is de Heilige. Heere, bekeer ons, zo zullen wij bekeerd zijn. Bekering is onlosmakelijk aan het geloofselven verbonden. Een dagelijkse bekering.    
David vlucht
Wanneer David het bericht van de opstand verneemt zal hij diep geschokt zijn geweest. Toch neemt hij ogenblikkelijk zijn maatregelen. Hij stelt de ene juiste daad die onder deze omstandigheden te stellen is. Hij vlucht en verlaat Jeruzalem. Het is een daad van de juiste staatkunde. Hij wil de stad en het volk sparen en het niet op een belegering en een bloedbad aan laten komen. Hij zal de aanhang van Absalom hoog ingeschat hebben. Hij vermijdt daarbij de confrontatie tussen zoon en vader. Voorlopig verlaat hij Jeruzalem. En zo vlug mogelijk.
Zijn knechten scharen zich direct en onvoorwaardelijk achter hem. De koning gaat uit met zijn huis en met al zijn volk, aldus lezen we. We denken daarbij aan de vrouwen en kinderen, aan het paleispersoneel en de staatsambtenaren, aan legeroversten en lijfwacht. Hij accepteert voor dit moment de situatie dat Absalom koning is zonder de rechten en aanspraken op de troon op te geven. Hij laat in het paleis tien bijwijven achter, om zijn huis te bewaren.
De koning verlaat oostwaarts de stad, daalt af in het Kedrondal om via de Olijfberg de weg te gaan naar de woestijn. Het doel is eerst de woestijn van Juda om vervolgens te vertoeven bij de doorwaadbare plaatsen van de Jordaan. Daar wil hij bericht afwachten om eventueel naar het Overjordaanse te trekken. 
Ootmoed en boetvaardigheid
De droefheid is groot. Het ganse land rondom weent met luider stem als men de koning ziet vertrekken. Hij pauzeert in ”een verre plaats”, het huis der verte. Wellicht het laatste huis van Jeruzalem in het Kedrondal. Hij houdt een inspectie. Allen die met hem zijn laat hij voorbijtrekken. De priesters krijgen de opdracht de meegevoerde ark terug te brengen. Als ik genade zal vinden in de ogen des Heeren, zegt de koning, Hij zal mij wederhalen. Indien de Heere zal zeggen: Ik heb geen lust tot u, Hij doet wat goed is.
Zij trekken met grote droefheid voort. David weent en heeft als teken van smart zijn hoofd omwonden en gaat, eveneens als teken van rouw, barrevoets. Al het volk dat meetrekt weent en heeft ook het hoofd omwonden. 
Aan de ene kant ervaart David verraad en vijandschap om hem heen en dat is pijnlijk.. Ootmoedig en boetvaardig buigt hij onder de Heere. Hij ervaart dit alles als volvoering van een Goddelijke kastijding. David vlucht vanwege eigen zonden en buigt onder de Heere. Wat is de zonde toch smartelijk. Er is alle reden toe om onder de Heere in boetvaardigheid te buigen en Hem onze zonden te belijden. Wie zou niet wenen over zijn zondig bestaan voor de HEERE. Tegen U, u alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in uw ogen.
David laat de HEERE op zijn plaats, om zo te zeggen, en aanbidt zijn vrijmacht. Tegelijk is er vertrouwen dat de Heere het wel zal maken. Ook neemt hij zijn maatregelen. Leven in geloof ontslaat een mens niet van zijn verantwoordelijkheid. Het valt op hoe beheerst hij handelt. We vernemen uit Psalm 3  van de innerlijke rust en het vertrouwen in de Heere. David kende weliswaar de belofte van het eeuwig koningschap. Maar uit de belofte leven is geen vanzelfsprekendheid. De Heere gaat vaak wegen van beproeving. In deze zware weg buigt hij onder de Heere en klemt hij zich in geloof aan de Heere vast. De HEERE is mijn schild en mijn eer en Die mijn hoofd opheft. Psalm 3. Doel van de beproeving en verdrukking is het toenemen in geloof. 
Christelijke houding
Mij treft in het doen en laten van David bij deze zeer droeve opstand van zijn eigen zoon tegen hem een recht christelijke houding. Tot beschaming enerzijds en tot voorbeeld anderzijds voor ons allen wanneer we in omstandigheden verkeren die als het ware tegen ons schijnen te zijn. In tijden van smart en moeiten, temidden van verdrukkingen en noden. Het kan gebeuren in het leven dat we smartelijke zaken ervaren die mensen ons aandoen zonder oorzaak.
We moeten het niet vreemd achten als we een weg in ons leven gaan door verdrukking heen. In de wereld zult gij verdrukking hebben, naar het woord van Christus zelf. Laten we de gang van ons leven en de gebeurtenissen om ons heen beleven vanuit Gods Woord en in het geloof in Christus. Ziende op Hem. En laten we buigen onder de HEERE en Hem erkennen onze zonden. Heere, wat U doet is goed. Of ik genade in uw ogen ontvang of dat U zich van mij moet afkeren, wat U doet is goed. Ik buig onder U. Ik zal mijn mond niet opendoen, want Gij hebt het gedaan. Laten we in de moeilijke wegen van het leven onder de Majesteit van de Heere buigen en aanbidden zijn vaderlijke voorzienigheid. En tegelijk de Heere in geloof vasthouden. Dat is genade en leven uit genade.  
Christus
We weten dat het evangelie van Johannes ons verhaalt dat Christus ook deze weg ging. We kunnen zeggen dat Christus de weg van David ging en dat David de weg van Christus ging. Christus ging onze weg in het dragen en wegnemen van onze  zonden. Wij mogen de weg van Christus gaan in het dragen van het kruis om zijnentwil en als we door lijden gelouterd worden.
We lezen in Joh 18: Jezus dit gezegd hebbende ging uit met zijn discipelen over de beek Kidron.  
Jezus dit gezegd hebbende. Jezus was met zijn leerlingen in de opperzaal. Hij vierde het pascha, stelde zijn eigen maaltijd in, sprak met hen over zijn komend lijden en heengaan en over de komst van de Geest. Allen zouden ze Hem verlaten. Een zou Hem verraden. Zijn vlees zou gebroken en zijn bloed vergoten. Hij verliet de paaszaal en trok in de nacht door de stad en liep het tempelplein over. Dan bidt hij. Het hogepriesterlijk gebed. We luisteren met ingehouden adem, vol eerbied en verwondering in stilte naar zijn gebed.
Nu is Hij uitgesproken. Jezus dit gezegd hebbende. Alles wat er gezegd moet worden is gezegd. Waarschijnlijk heeft Hij staande op het tempelplein gebeden. Hij heeft voor zichzelf gebeden om verheerlijking ( 1 - 8), voor zijn leerlingen om bewaring en heiliging ( 9-19) en voor alle gelovigen om eenheid (20 -26). 
Kedrondal
Dan zet Hij de begonnen nachtelijke tocht voort. Met zijn discipelen verlaat Hij de stad Jeruzalem. Aan de oostzijde van de stad ligt het Kedrondal. Wie daardoor heen trekt bestijgt vervolgens de Olijfberg.
Hij trekt door het Kidrondal. Een diep ingesneden dal tussen de stad en de Olijfberg. De naam Kidron komt van een werkwoord dat zoveel als duister-zijn, smerig-zijn betekent. Kidron wil dus zeggen donker, duister. Door het dal stroomt een winterbeek. Alleen in de winter staat er water in en dat is waarschijnlijk donker vanwege het afvalwater. We lezen bijvoorbeeld in Psalm 42 over in het zwart gaan, dat is in rouw klederen gaan. Voor in-het-zwart gaan staat er  in het Hebreeuws het werkwoord dat we tegen komen in de naam Kidron.
Dit dal is door enkele koningen gebruikt om afgodsbeelden te verbranden, zoals Asa, Hizkia en Josia. In het dal lagen graven, massagraven voor de armen en het gewone volk. De profeet Joël spreekt van het dal van Josafath waarin de HEERE gericht houdt over de volken. Joodse rabbijnen denken aan het dal Kidron. Het dal vormt de grens van de stad Jeruzalem. Treffend allemaal. Jezus trekt door dit dal. 
Christus gaat uit
Hij gaat uit. Het betekent voor Hem een uittocht. Een uittocht uit het leven de volle dood in om deze te overwinnen opdat zondaren de geloofsuittocht mogen gaan uit de dood in het leven.
We hoorden dat David  deze tocht ging omdat hij de stad ontvluchtte voor zijn opstandige zoon Absalom. Hij trok de stad uit en de beek over met zijn getrouwen. Het was een zware weg voor David. Enerzijds zonder oorzaak moet hij die kruisweg gaan, anderzijds ervaart hij dat het is vanwege zijn zonden. David vluchtte en boog onder de Heere. Christus gaat deze weg om voor de zonden van anderen te betalen. Zo is er vergeving in Christus en een heiliging van onze kruisweg in Hem.
Er is een overeenkomst. David kende een verrader, Achitofel. Christus is door zijn eigen leerling Judas verraden. Maar laten we vooral letten op het verschil. David was nog omringd door velen die hem trouw bleven. Christus ging uiteindelijk alleen. Allen hebben ze Hem verlaten. Petrus heeft hem zelfs verloochend. David moest vluchten vanwege eigen zonden. Christus ging die weg vanwege onze zonden.
Hij ging uit. Dat betekent dat Hij in gaat tot de weg van zijn lijden. Hij verlaat de stad Jeruzalem, de stad van de tempel. De woonplaats des Heeren onder het volk. Door de zonden staat een mens buiten Gods gemeenschap. Dat is onze dood. Christus komt in de weg van zijn lijden buiten Gods gemeenschap om voor ons de weg naar God te ontsluiten. Hij van  God verlaten, opdat wij nimmermeer van God verlaten zouden worden.
Hij trekt door het dal Kidron. Een dal dat spreekt van duisternis en de dood, van de zonde der afgodendienst en van Gods gericht. Christus draagt plaatsbekledend onze schuld en vloek. Hij trekt door het dal van de dood. Hij gaat de volle dood in. Hij komt voor Gods gericht en draagt de volle veroordeling. Zijn lijden en sterven is volkomen voldoening aan Gods recht  
Jezus gaat uit. Trekt door het Kidrondal. Door het dal van de volle dood. Hij gaat volkomen betalen aan het goddelijke recht. En door dat lijden zal Hij straks als volle overwinnaar  opstaan uit de dood.
 
Verhoogd aan het kruis
We herinneren ons dat in Johannes 3 sprake is van de verhoging aan het kruis. In het nachtelijke gesprek met Nicodemus heeft Jezus gezegd: ”En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden.” (3,14) Zijn hangen aan het kruis was een verhoging. Niet alleen daarom dat Hij aan het vloekhout hing tussen hemel en aarde als een uitgestotene, ook niet alleen daarom dat Hij in de verkondiging van het Woord hoog temidden van mensenkinderen verhoogd moet worden als de Man der smarten opdat we tot Hem de toevlucht nemen. Maar vooral omdat achter Zijn lijden sterven niet een punt staat. Dan is het niet afgelopen met Hem. Neen, daarna volgt Zijn verheerlijking in opstanding en hemelvaart. ”Ik vaar op tot Mijn Vader en uw Vader, tot Mijn God en uw God”, zal de opgestane zeggen tot Maria Magdalena (20, 17). Daarom begint met Zijn lijden zijn verheerlijking. ”Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzo in zijn heerlijkheid ingaan?” (Lukas 24, 26?
Wie door het geloof uit Christus leeft mag door hem de uitocht maken uit de dood naar het leven. Wie door het geloof tot Christus de toevlucht neemt, ontvangt in Hem de vergeving der zonden. In dit leven zullen we door het Kidrondal van de verdrukking trekken. Maar in Christus is niet alleen vergeving, maar door Hem worden we in de drukwegen gelouterd.
Al ging ik ook door een dal van de schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen, want Gij  zijt met mij. Onderweg, in de weg der verdrukkingen, zal ik uit de beek drinken, de beek van het water des heils in Christus.
Volgelingen
Koning David hield staande in het Kedrondal een inspectie van allen die meegingen. Zijn knechten trokken aan hem voorbij; ook zijn lijfwacht, de Krethi en de Plethi. Het is ontroerend om te lezen met welk een onvoorwaardelijke trouw zijn knechten hem aanhangen. Zij zeggen tegen David: Naar alles wat mijn heer de koning verkiezen zal, zie hier zijn uw knechten. Welke weg u ook gaat en wat u ook wil doen, wij zijn uw knechten. Wij zullen U volgen. Zij hebben in hem het volste vertrouwen.
Ik denk dat dit het kenmerkende behoort te zijn van het leven van een christen die weet wat het is om in afhankelijkheid van de Heere  te leven. Heere, welke weg u ook verkiest met ons te gaan, wij zijn uw knechten. Dat zeggen we niet van uit onszelf. Wat kan er een opstand tegen,  een niet-verenigd-zijn met de weg des Heeren leven in hert hart. Maar door genade, door de Heilige Geest leren we onder de Heere buigen en Hem aanbidden. Christus die in ons woont, zegt dat, Christus die in volle gehoorzaamheid de weg van zijn Vader is gegaan.
Onder de volgelingen treffen we 600 man uit Gath aan onder leiding van Ithai. Deze is nog maar kort bij David en heeft asiel gekregen. Wellicht was hij in Gath in conflict gekomen met de koning en de bovenliggende partij. Toen bleef er een kiezen over. Of onderwerpen of weggaan. Ithai koos voor het laatste. David zegt tegen hem: Gij zijt een vreemdeling en een verbannene van uw plaats (aldus moeten we zin: en ook zult gij wedekeren naar uw plaats, lezen). Koning David beweegt hem terug te keren naar Jeruzalem. Ik zal heen gaan waar ik  kan . Ik moet zwerven. Maar breng uw broederen niet in gevaar. Hij wenst hem Gods goedertierenheid en trouw.
Het antwoord van Ithai is heel opmerkelijk. Hij zweert bij de Heere, de God van Israël. Hij blijft bij de koning. Zo waarachtig als de HEERE leeft en mijn heer de koning leeft, in de plaats waar mijn heer de koning zal zijn, hetzij ten dode hetzij ten leven, daar zal uw knecht voorzeker ook zijn.  
Deze hartelijke verbondenheid te ervaren moet voor David buitengewoon troostvol zijn geweest. Wat doet meeleven in dagen van moeiten goed. Meestal komt meeleven van een  ongedachte zijde.
Wellicht mogen we aannemen dat er bij deze Ithai een beginnend geloof valt te bespeuren. Hij weet zich aan de Heere en daarom aan Israël en de koning verbonden. We horen dezelfde taal als bij Ruth. Zij zei tegen Naomi: Waar gij zult heengaan, zal ik ook heengaan. Waar gij zult vernachten, zal ik vernachten. Uw volk is mijn volk en uw God is mijn God. Een heerlijke geloofskeus. Dit geloof komt openbaar in de werken der liefde. Ruth was een Moabietische en kwam tot geloof. Ithai is een heiden die tot bekering is gekomen. Straks zullen de muren om Israël afgebroken worden. God vergadert zijn kerk uit jood en heiden. Is dat ook van ons te zeggen:  Hij die in u een goed werk begonnen heeft?
We vragen of deze man zijn naam heeft verstaan: Ithai, met de HEERE. Daar gaar het om. Maar, zo vernamen we, de HEERE volgen is een weg van verdrukking gaan Door het geloof leren we voor en onder de Heere te buigen en zeggen: Wij volgen U. Welke weg u ook gaat. Hetzij ten dode hetzij ten leven. Met de Heere. Ziende op de Heere. Alleen door genade. Dit te leren is het nut van alle moeiten en zorgen die u ervaart in uw leven. Wij zijn des HEEREN Uiteindelijk zullen we door het geloof uit de dood het volle leven mogen ingaan. Omdat Christus uitging door het Kidrondal.
Wat dunkt u van deze Christus. Neem toch de toevlucht tot Hem.