2. Gods bestuur en het lijden

 2. Gods bestuur en het lijden
”In die dagen als de richters richtten, zo geschiedde het dat er honger in het land was; daarom toog een man van Bethlehem-Juda om als vreemdeling te verkeren in de velden van Moab, hij en zijn huisvrouw en zijn twee zonen.  De naam nu van deze man was Elimelech en de naam zijner huisvrouw Naomi en de naam zijner twee zonen Machlon en Chiljon, Eftathers van Bethlehem-Juda,  en zij kwamen in de velden van Moab en bleven aldaar.”
Vers 1 en 2
Het geschiedde dat er honger was in het land. Honger onder het volk Israël. De HEERE heeft Israël uit Egypte, het slavenhuis, verlost en gebracht in Kanaän, een land overvloeiende van melk en honing. Hij gaf Israël dit land ten eigendom om daarin te wonen. De HEERE heeft met Israël een verbond gesloten. Hij is de God van Israël en Israël is Zijn volk. Binnen dat verbond heeft Israël de dure roeping te leven als het volk van de HEERE naar zijn geboden en instellingen. De HEERE zal in de weg van die gehoorzaamheid zijn zegen vanuit het verbond aan Israël geven. Maar wanneer het volk de HEERE verlaat en eigen gekozen wegen gaat van de HEERE af, dan zal Hij van uit het verbond komen met zijn wraak, zijn straf. Opdat Israël zich zal bekeren. In dat licht hebben we de hongersnood te zien, waardoor Elimelech gedrongen werd met zijn gezin naar de velden van Moab te vertrekken.
Vanaf deze hongersnood, waardoor Israël getroffen werd, kijken we naar het vele leed in deze wereld. De wereld lijdt aan ziekten, oorlogen, natuurrampen en veel meer leed. Hoe moeilijk ook te doorgronden voor ons beperkte menselijke verstand, we mogen toch belijden dat dit alles niet buiten Gods voorzienige leiding omgaat.Als we spreken over Gods voorzienigheid belijden we daarmee dat de HEERE hemel en aarde onderhoudt en regeert. Evenals de schepping zijn de onderhouding en de regering der wereld  het werk van de Drieënige God. Daarom mogen we ook zeggen dat Christus regeert. Als Middelaar heeft Hij uit de handen van de Vader alle macht ontvangen. Hij regeert over heel de wereld met volmacht van de Vader. Het is een rijke troost te mogen weten dat de Borg en Middelaar, de Koning van de kerk, deze wereld regeert. God regeert de wereld dus in en door Christus. De regering der wereld ligt in de allerbeste handen.
We mogen belijden dat God liefde is. Hoe is daarmee het vele leed in de wereld te rijmen?  De HEERE is almachtig.  Waarom gaat al dat leed dag in dag uit maar door? Vragen te over.
Het gaat daarbij over, wat wij noemen, de “theodicee”, de rechtvaardiging van Gods bestuur over deze wereld. Er is voor ons, zondige en beperkte mensen, veel raadselachtigs en onbegrijpelijks in het bestuur van de wereld. Maar kunnen we toch handhaven dat Gods bestuur over de wereld heilig, rechtvaardig en goed is?
In deze wereld is het kwade. We willen dat kwaad zien in tweeërlei zin. Het kwaad van het lijden en het kwaad van de zonde. Nu moeten we als we hierover nadenken niet beginnen bij het kwaad van het lijden, maar bij de zonde. Doen we dat niet, dan vervallen we in een veel gemaakte vergissing. Op de bodem aller vragen ligt der wereld zondeschuld. De Heere heeft de mens goed geschapen. Maar de mens is van zijn God afgevallen en weggelopen. Er is niet alleen de zonde en de smet der zonde, maar vanwege de zonde trekt de mens een spoor van leed en ellende door de wereld achter zich heen. Door de zonde is hij onderworpen aan de dood, de slavernij van de duivel en het leed.
Wanneer we geconfronteerd worden met leed in de wereld, dan komt de vraag naar boven hoe dat te rijmen is met het bestuur en de leiding van God. Waarom doet God er niets aan en laat Hij al dat leed maar doorgaan? Men wijst tegenwoordig dan wel op Auschwitz. Waarom deed God niets aan dat verschrikkelijke leed en waar was God in de gaskamers? Men zegt wel dat de vraag voor Auschwitz was wie God is, maar de vraag na Auschwitz waar God is.
Toch is dat niet terecht. In de eerste plaats hierom. We leven in een zondige en gebroken wereld. De mens is door de zonde een hater van God en van zijn naaste geworden. Wat is uiteindelijk van een gevallen mens aan goeds te verwachten? De ene mens doet de andere mens veel leed aan. Dat zien we rondom ons heen. We leven in een wereld waarin de machten van de zonde en de satan rondgaan. Door de zonde heerst de dood en is er veel leed.
Vervolgens dienen we eerlijk te blijven door te erkennen dat God er alles aan gedaan heeft.  Hij heeft Zijn eigen Zoon in deze ellendige wereld gegeven en Hem laten kruisigen. Hij heeft Zijn eigen Zoon niet gespaard, maar Hem voor ons allen overgegeven. De werkelijkheid is de toorn van God over de zonde. Christus heeft die toorn gedragen. In Hem is vergeving. Door Hem komt er een nieuwe aarde waarop gerechtigheid wonen zal. Daar zal geen leed meer zijn. Toch is er in deze wereld het leed en het kwaad nog. Maar Christus heeft het laatste woord.
Alhoewel we leven in een wereld overvloeiende van leed en ellende houden we toch vast aan de geloofsuitspraak dat er in deze wereld niets geschiedt zonder Gods beschikking. God is niet de bewerker van het kwaad van de zonde. Daarvoor is bij Hem vergeving. Al het leed vindt wel een plaats onder Zijn regering. En die regering is goed en rechtvaardig. Er gebeurt niets buiten de HEERE om. Er zijn geen machten naast Hem, wel onder Hem. Alles wat er gebeurt door de satan vindt plaats onder Gods toelating. Augustinus zei dat ook wat tegen Gods wil geschiedt op wonderlijke en onuitsprekelijke wijze niet buiten Gods wil om geschiedt.
Laten we luisteren naar wat er staat in onze Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 14 over de voorzienigheid van God.
“ Wij geloven dat die goede God nadat Hij alle dingen geschapen had deze niet heeft laten varen, noch aan het geval of de fortuin overgegeven, maar ze naar Zijn heilige wil alzo bestuurt en regeert dat in deze wereld niets geschiedt zonder Zijn ordinantie. Want Zijn macht en goedheid is zo groot en onbegrijpelijk dat Hij zeer wel en rechtvaardig Zijn werk beschikt en doet, ook wanneer de duivelen en goddelozen onrechtvaardig handelen. En aangaande hetgeen Hij doet boven het begrip van het menselijk verstand dat willen wij niet nieuwsgierig onderzoeken, meer dan ons begrip verdragen kan. Maar wij aanbidden met alle ootmoed en eerbied de rechtvaardige oordelen van God, die ons verborgen zijn, ons tevreden houdende dat wij leerjongeren van Christus zijn om alleen te leren hetgeen Hij ons aanwijst in Zijn woord zonder deze palen te overtreden. Deze leer geeft ons een onuitsprekelijke troost als wij door haar geleerd worden dat ons niets bij geval overkomen kan, maar door de beschikking van onze goedertieren hemelse Vader die voor ons waakt met een Vaderlijke zorg, houdende alle schepselen onder Zijn heerschappij alzo dat niet een haar van ons hoofd  ook niet een musje op aarde vallen kan zonder de wil van onze Vader.”
Laten we, wanneer het over het lijden gaat, nimmer vergeten dat Christus zeer zwaar heeft geleden, het allerzwaarste. En wanneer wij in alle moeilijke wegen mogen zien op het kruis van Christus kunnen we ons lijden dragen achter Hem aan. Een kruisdragen achter Christus en door Zijn kracht en genade.
Er is een lijn van het lijden in deze wereld naar de zonde te trekken. Er is lijden dat ons overkomt vanwege de zonde. En daarom een straf van God over de zonde. In het Oude Testament wordt Israël gewaarschuwd niet van de HEERE af te wijken, want de HEERE zal komen met Zijn oordelen. In het boek Openbaring lezen we dat de HEERE dreigt met oordelen over deze wereld. En die oordelen zijn er ook. Maar in die oordelen klinkt toch de dringende en opwekkende roepstem tot bekering.
Niet altijd is het lijden een straf op de zonde. De Bijbel spreekt ook van een kastijding. Dan is het lijden een soort leerschool om ons verder te leiden in het geloof tot de volharding. In Hebr. 12 lezen we: "En laat ons mei lijdzaamheid lopen de loopbaan die ons is voorgesteld, ziende op de overste Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, die voor de vreugde die Hem voorgesteld was het kruis heeft verdragen en schande veracht.  " Christus heeft het lijden verdragen, geaccepteerd en Hij zag op de vreugde. Laten we navolgers van Hem zijn.  Het lijden in het leven van een kind van God kan een beproeving zijn. We denken aan het goud dat in de smeltkroes gelouterd wordt. Door lijden geheiligd. Zo was het met Israël in Egypte, in het leven van Jozef en een man als Job. We lezen in de brief van Jacobus: "Acht het voor grote vreugde mijn broeders wanneer gij in velerlei verzoekingen valt, wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt, doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk". 
De Heere wil vaak het lijden gebruiken tot versterking en bevestiging in het geloof. Doel van de beproevingen van het leven is een gerijpt, volwassen geloofsleven. We kunnen ook nog denken aan het lijden tot getuigenis voor de waarheid als een lijden om Christus' wil. De Heere heeft het immers gezegd: In de wereld zult gij verdrukking hebben.  En we lezen in Handelingen dat de kerk niet zonder verdrukkingen het koninkrijk van God zal binnengaan. ( Hand. 14: 22)
Er blijft voor ons veel ondoorgrondelijks in het lijden. God gaat voor ons vaak onbegrepen wegen. Maar wanneer het lijden beleefd mag worden in het licht van het kruis van Christus is er een onuitsprekelijke vertroosting. Hij heeft aan het kruis gehangen. Mogen wij leren het kruis achter Hem aan te dragen. Heere, niet wat ik wil, maar Uw wil geschiede. Door Christus wordt de bitterheid uit het lijden weggenomen. Het gaat door lijden tot heerlijkheid. Er is een heerlijk uitzicht. Op de nieuwe wereld zullen alle tranen uit de ogen zijn uitgewist.