Een profetisch woord tot een schuldig volk (2/2)

”Wie is er onder ulieden die de HEERE vreest, die naar de stem Zijns Knechts hoort? Als hij in duisternis wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de Naam des HEEREN en steune op zijn God.

Zie, gij allen die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt: wandelt in de vlam van uw vuur en in de spranken die gij ontstoken hebt. Dat geschiedt u van Mijn hand, in smart zult gijlieden liggen.”

Jesaja 50: 10 en 11

 

Met diepe ernst 

Deze oproep, wie er onder hen de HEERE vreest,  kent een diep ernstige ondertoon.  Laten we letten op de eerste drie teksten van dit hoofdstuk. Het volk van Juda en Jeruzalem verkeert in ballingschap in Babel. Zal het daar ten onder gaan en zal het geen zaad zien noch toekomst hebben? Ligt de schuld van deze ballingschap bij de Heere? Heeft Hij aan haar in pure willekeur als aan Zijn vrouw een scheidbrief gegeven en haar weggestuurd? Had de Heere schuldeisers en heeft Hij daarom Zijn volk verkocht?

 Jawel, het volk is wel verkocht of ook weggezonden, maar de oorzaak ligt niet bij de HEERE, maar bij haar ongerechtigheden en overtredingen. Haar eigen zonde is de oorzaak. De Heere heeft steeds naar dat volk omgezien en tot haar gesproken. Maar er was niemand en niemand antwoordde. Men liet de plaats bij de HEERE leeg en gaf geen antwoord. Het volk liet de Heere en Zijn woord in ongehoorzaamheid staan. Zo was het vroeger en zo is het nu in ballingschap nog. 

Laat het volk nu niet zeggen dat de HEERE niet in staat is het te verlossen. Hij heeft vroeger Zijn grote daden getoond tot heil van het volk en ook in gericht over de goddelozen. Hij kan die daden weer verrichten. Zijn hand is niet verkort en bij Hem is kracht om te verlossen. Israël weet dat, maar waarom verwacht zij het niet van de HEERE? Hij kan Zijn grote daden tonen om het volk uit Babel te verlossen. Hij kan de zee en de rivieren bestraffend toespreken zodat zij geheel droog liggen zonder water en de vissen sterven en er overal stinkende dode vissen liggen. Hij bekleedt de hemel met zwartheid en strekt een zak tot haar deksel. Heel de hemel is zwart vanwege de onweerswolken. Zo waren er zijn oordelen over Egypte bij de verlossing van Zijn volk. Over Babel kan Hij met die oordelen komen om Zijn volk te verlossen.

 Maar Israël heeft op die daden niet gelet en de tekenen die God deed niet verstaan. Nu zal de Heere over dat schuldige volk met Zijn daden van toorn komen. Die kunnen toch niet uitblijven? Thans is er de ballingschap en straks zal Hij in Zijn alles verzengende toorn rivieren en zeeën droog leggen en over de aarde de zwarte hemel van Zijn toorn doen welven. Moet het met Israël daarop uitlopen? Israël heeft haar roeping niet verstaan en heeft gezondigd in ongehoorzaamheid. De Heere zal in Zijn heilige toorn komen met Zijn oordelen. Het gericht kan niet uitblijven.

 Als de zaken zo staan, wie zal dan de Heere niet vrezen? Dat wil zeggen, bevreesd zijn voor de openbaring van Zijn toorn. Wie zal dan niet ontsteld zijn bij de schrikwekkende heiligheid van die HEERE Die heilig toornt over de zonden? Wie zou dan niet horen naar de stem van de Knecht, de lijdende knecht des HEEREN, de Man van smarten, Die de schuld heeft gedragen en volkomen is gerechtvaardigd?

Laten we verstaan en belijden dat wij het oordeel van God verdiend hebben over onze zonden en eens de grote en verschrikkelijke dag des HEEREN zal komen. We moeten allen voor Zijn rechterstoel verschijnen ten oordeel. Als u daaraan denkt en ons wordt dat verkondigd, zeg eens, wie zal dan niet voor die Heere bevreesd zijn. ”En ga niet in het gericht met Uw knecht, want niemand die leeft zal voor Uw aangezicht rechtvaardig zijn.” (Psalm 143, 2). Wie zal dan niet naar de stem van de Knecht des  Heeren horen? Hoor toch naar Zijn levenwekkend woord, Zijn woord van zaligheid en heil. Om bij Hem te schuilen. Zijn stem die oproept tot bekering. Laten we toch die Heere vrezen en ons voor Hem verootmoedigen en smeken om genade.  Voor het te laat is.

                              Zo gij Zijn stem dan heden hoort,

                              gelooft zijn heil en troostrijk woord,

                              verhardt u niet, maar laat u leiden.

 Vertroostend

”Als hij in duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij betrouwe op de naam des HEEREN en steune op zijn God.” In duisternissen wandelen en geen licht hebben. Ongetwijfeld kent u dat wel in uw leven. Wanneer het over de zorgen, angst en moeiten van het leven gaat, zeggen we wel: Dat hoort bij het leven. Laten we liever zeggen dat het hoort bij de gebroken, zondige wereld. Maar hoe maakt u het dan? Als ge in nood gezeten, geen uitkomst ziet. Nacht en geen licht. Waaraan hebben we te denken en wat bedoelt de profeet?

 Als hij. Dat is hij die de HEERE vreest en hoort naar de stem van de Knecht des HEEREN. Als hij gaat in duisternissen. De nacht valt en het licht gaat ontbreken. Met dit beeld worden de vele en onderscheiden toestanden van nood en moeiten aangegeven. Zoals de vermoeiden in vers 4 ervaren. De Knecht des HEREEREN is toegerust om met de moede een woord ter rechter tijd, een woord ter bemoediging  te spreken. Komt herwaarts tot Mij, zei Christus, allen die vermoeid en belast zijt. Ze zijn vermoeid door de zorgen van het leven en gaan gebukt onder de lasten en moeiten van het leven.

We kunnen denken aan de duisternissen van de tijdsomstandigheden. Het grootste deel van het volk leefde in ongeloof. Te midden van die duisternis van geesteloosheid, ongehoorzaamheid en onbekeerlijkheid leefden de weinige vromen. Dat valt niet mee om te midden van een ongelovig geslacht naar Gods Woord te leven. Je staat dan bloot aan veel vijandschap en spot.

We kunnen denken aan dat deel van de kerk die vervolgd wordt vanwege het geloof. Hen wacht spot en hoon niet alleen, maar gevangenschap en marteling en soms ook de dood.

We kunnen denken aan hen die weet hebben van de afbraak van hun bestaan. Duisternissen en geen  licht in dagen van dagen van rouw en verlies.  Bij financiële zorgen en werkeloosheid.  Veel is te noemen. 

We kunnen denken aan de duisternissen van Gods oordeel en Gods toorn. Het gericht van de HEERE brengt duisternis mee en de hemel wordt dichtgetrokken met een rouwkleed van Zijn toorn. Onder de zwarte hemel van Gods toorn. Boven een volk dat Gods gericht heeft verdiend, trekt de hemel onheilspellend dicht. ”Zal dan de dag des HEEREN niet duisternis zijn en geen licht? (Amos 5,20)

 

In deze noodtoestand spreekt de profeet een vertroostend woord. Laat hij toch op de naam des HEEREN betrouwen en steunen op zijn God. Dat is het voorrecht van hen die de HEERE vrezen en leven bij het Woord. Vertrouwen op iemand doe je in een levensgevaarlijke situatie. Het is je geheel aan iemand toevertrouwen, in iemand houvast en zekerheid vinden. Mijn God,  op U vertrouw ik. Vertrouwen op de naam des HEEREN. God heeft Zijn naam doen kennen en daarin geopenbaard Wie Hij wil zijn voor allen die Hem betrouwen en tot Hem de toevlucht nemen. Hij is heilig, betrouwbaar, rechtvaardig, barmhartig en genadig. Op Hem steunen is geheel je op Hem verlaten en bij Hem veilig en geborgen zijn. Leunen op de Liefste om op te klimmen uit de woestijn. Dat is geheel rusten op Christus en alles wat er in Hem te vinden is.

 In de duisternissen van de strijd en moeiten van het leven, van de gramschap van God waarvoor men slechts bevreesd kan zijn, toch vertrouwen, de toevlucht nemen tot de HEERE. Dat is horen naar de stem van de Knecht des HEEREN die op Golgotha in de volle duisternis is geweest en op Zijn God heeft vertrouwd. Die zelfs in de diepste duisternis van de hel nog aan Zijn God vasthield. In de Knecht des HEEREN heeft God Zijn naam geopenbaard als een God die een schuldig volk genadig wil zijn.

                         Ik zal Zijn lof zelfs in de nacht

                         Zingen daar ik Hem verwacht.

 Waarschuwend

We herinneren ons dat de profeet Jesaja het volk Israël in ballingschap aanspreekt. Wie is er onder jullie die de HEERE vreest? Er zijn er weinigen. Laten zij in duisternissen op de naam des HEEREN vertrouwen.

We lezen in vers 11: Zie, gij allen. Wat doet nu de rest van het volk in de duisternis? Zij neemt niet de toevlucht tot de HEERE en luistert niet naar de stem van de Knecht des HEEREN, maar steekt zelf een vuur aan en omgordt zich met spranken, dat is met vonken. Zij proberen de duisternis te verdrijven en in de duisternis houvast te hebben door zelf licht te maken. Bij dat vuur gaat het om een vorm van zelfbescherming tegen de duisternis. In plaats van het licht van God te zoeken proberen zij zich te behelpen met eigen licht en trachten op die manier aan de duisternis van het strafgericht te ontkomen.

 Gods hand is machtig genoeg om te verlossen en te redden, maar zij zoeken geen licht bij die God, maar bij het kunstlicht van eigen zekerheid, eigen gerechtigheid. Maar dat helpt niet en zo kan men geen steun vinden in de duisternis en zich afschermen tegen Gods toorn en gramschap. Uiteindelijk zullen zij in dat eigen licht en die eigen fakkels moeten wandelen en waar zij steun bij dachten te vinden, dat zal zich tegen hen keren. Zij zullen er in omkomen. Dat gebeurt door de straffende hand des Heeren. Zij zullen in smart en pijn machteloos terneer liggen. Wie het bij zichzelf en niet bij de HEERE zoekt, zal uiteindelijk omkomen. Voor eeuwig omkomen.

 Daarom. Laten we luisteren naar het onderwijs van de Heere. Wie is er onder jullie die de HEERE vreest, die naar de stem van Zijn Knecht hoort. Wie de HEERE vreest en zich onderwerpt aan zijn Woord zal leven uit de Knecht des HEEREN.

Nu reeds, straks volkomen.

Vreest u de HEERE?