Jakob op de grens bij Pni-el (2/1)

Genesis 32: 24 – 32 

1. Verdrukking

Jakob bevindt zich in een grenssituatie. Op het bevel van de Heere is hij teruggekeerd uit Paddan Aram na een verblijf aldaar van twintig jaren. Nu staat hij op het punt het land aan zijn vaderen beloofd weer te betreden. Echter, hij vreest zeer en het is hem bang. Hij is doodsbenauwd. Hij vreest voor de komst van Ezau. Ook komt de Heere hem tegen.

 

Het leven brengt ons dikwijls bij een grens. Bijvoorbeeld bij het aangaan van een huwelijk; bij het begin van een nieuwe werkkring; bij het ontvangen van het ouderschap; bij een jaarwisseling; bij het verlies van een man of een vrouw. Bij een grens: wanneer een ernstige ziekte zich openbaart of als de dood komt en we hebben dit aardse leven te verlaten om de Heere te ontmoeten. Op een grens als de rust wordt opgezegd en ik word ontdekt aan mijn zondaarsbestaan en alle hoop mij ontvalt.

Een grens ook die te maken heeft met het geestelijke leven. Aan de ene kant is er sprake van een  gewone, rustige voortgang. Dagelijks Bijbellezen en het gebedsleven, het opgaan naar de kerk, leven bij de psalmen en de overdenkingen. Aan de andere kant kunnen er bijzondere, onvergetelijke  gebeurtenissen zijn. Als het ware keerpunten, duidelijke grensovergangen. Abraham in het ontvangen van Gods verbond, bij het offeren van zijn zoon. Izak in het zegenen van zijn zonen. Jakob in Bethel en nu in Pniël. In Bethel werd Jakob bemoedigd door de tegenwoordigheid van de Heere en de toezegging van Gods bescherming. In Pniël vindt een verdieping plaats van zijn geloof en genadeleven. We gaan dat laatste overdenken.

 

Doch Jakob bleef alleen over (vers 24).In diepste zin staat een mens alleen. O jawel, het is rijk en heerlijk omringd te zijn door je dierbaren. Maar toch, de zwaarte van de nood en de ernst der ziekte onderga je alleen. Het is rijk iets te beleven van de gemeenschap der heiligen in het samenleven van hen die de Heere vrezen. Maar in de geestelijke strijd, in het buigen onder de Heere als een verloren zondaar, bij het sterven sta je alleen; die weg moet je alleen gaan. De belofte van het genadeverbod  luidt: Ik ben met u. Dat geeft houvast in leven en sterven te kennen de enige troost, het eigendom van Christus te zijn. In het geloof blijf je niet alleen over, maar mag je vernachten in de Schuilplaats  van de Allerhoogste.

 

Op het bevel van de Heere heeft Jakob zijn schoonvader Laban verlaten. Twintig jaren heeft hij aldaar verkeerd. Hij heeft zich aan Laban ontstolen en is er heimelijk van doorgegaan. Onderweg bemoedigt de Heere hem. De engelen Gods komen hem tegemoet. Dit is een heirleger Gods, zo reageert Jakob in verwondering. Hij noemt de plaats Mahanaim, twee legers. Door middel van deze engelen omringt en beschermt de hand des HEEREN Jakob en al wat hij heeft. “De engel des HEEREN legert zich rondom degenen die Hem  vrezen en rukt ze uit.” (Psalm 34,9). “U zal geen kwaad wedervaren want Hij zal Zijn engelen van u bevelen dat zij u bewaren op al uw wegen.” (Psalm 91,11).

Als Jakob terugkijkt is hij er nu van verzekerd dat de Heere hem naar Zijn belofte aan alle kanten beveiligde. De Heere heeft hem uit de hand van Laban gerukt. De Heere zal hem beschermen ook op de weg die voor hem ligt en bij welk gevaar er ook dreigt. Ik, de HEERE, ben met u, Jakob. Mijn legerscharen staan Mij daarbij ten dienste. Wat zal een nietig mens je dan doen?

 

Jakob weet dat zijn broer Ezau een andere woonplaats heeft gekozen. De tenten van zijn  vrome vader Izak waren hem te benauwd. Mede op aandringen van zijn heidense vrouwen heeft hij zich daarvan losgemaakt. Hij heeft het land der belofte verlaten en als woonplaats het land Seïr gekozen, ten zuiden van de Dode Zee, later Edom genoemd. Daarmee heeft hij en de Heere en Zijn verbond en beloften de rug toegekeerd. Aangrijpend.

 

Jakob beseft dat hij vroeg of laat Ezau zal ontmoeten. Ezau die op wraak uit was en zijn dood bezwoer. Alvorens Jakob het land van zijn vaderen betreedt, wil hij zich met zijn broer verzoenen. Hij stuurt boden naar Ezau met een duidelijke boodschap. Zeg tot mijn heer Ezau, zo zegt uw knecht. Ik heb als vreemdeling bij Laban gewoond. Ik heb een rijke veestapel en knechten en dienstmaagden. Dus wat dat betreft  behoef je niets van mij te vrezen. Ik kom er aan. Laat ik genade vinden in uw ogen. Laten we vrede sluiten zodat ik mag delen in uw gunst en vriendschap .

 

De tijding die deze boden terugbrengen ontstelt Jakob hevig. Ezau trekt hem tegemoet met een legertje van 400 man. Jakob vreest het ergste. Zijn geweten spreekt. Ezau komt om hem en zijn gezin te doden en zijn bezit te roven.

Toen vreesde Jakob zeer en hem was bang (vers 7). De benauwdheid grijpt hem bij de keel. Hij heeft zijn broer en zijn vader met leugen bedrogen. Ezau zocht hem te doden. Daarvoor was immers Jakob gevlucht. Nu vreest hij het grootste gevaar.

Wellicht voelt u Jakob aan vanwege moeilijke omstandigheden in uw leven, grote psychische of lichamelijke nood,  vanwege geestelijke strijd en aanvechtingen, vanwege de veelheid uwer zonden en nog meer. Bange vrees vervult het hart.

 

Maar Jakob was toch bemoedigd door het zien van de legers engelen? Hij kan toch in geloof op de Heere vertrouwen? Hem zal niets overkomen!  Dat is waar. Maar ondanks het geloof leeft er toch in zijn hart vrees en menselijke angst en zwakheid. Nooit is het geloof volkomen. Ik geloof Heere, kom mijn ongelovigheid te hulp. Ook bij Gods kinderen openbaart zich de zwakheid van het vlees. Calvijn: “ Want zij die zich verbeelden dat het geloof vrij is van alle vrees hebben nooit ondervonden wat het ware geloof eigenlijk is.” 

Maar laten we wat hoger op kijken. De Heere bestuurt dit zodanig dat het Jakob uitdrijft tot het gebed. Calvijn:  “Wij weten immers welk een koelheid in dit opzicht ontstaat door vleselijke gerustheid . Hij wil ons geloof oefenen.”

 

Jakob neemt in alle haast maatregelen. Hij verdeelt zijn bezit in twee groepen. Wanneer Ezau het ene slaat zal het andere ontkomen. En dan zoekt Jakob in het gebed het aangezicht van de Heere. Hij zendt een vurig gebed op. Daarbij laat hij diep in zijn hart kijken. Hij roept tot de Heere om hem uit de hand van zijn broeder Ezau te rukken. Nee, hij kan geen verdiensten aanvoeren. Hij pleit volkomen op de Heere en Zijn verbond, Zijn beloften en weldaden. Een gelovig gebed.

Dan brengt hij daar de nacht door. De HEERE waakt over hem.

Ik lag en sliep gerust…!

Toch neemt hij de volgende dag zijn maatregelen. Op de Heere vertrouwen schakelt  de weg der middelen niet uit. Als we de middelen maar gebruiken in afhankelijkheid van de Heere. Hij doet Ezau een zeer groot geschenk toekomen. Een flinke veestapel van 580 dieren. Tot Ezau gezonden in vijf kudden met tussenruimten. Om als het ware Ezau van deze vriendelijkheid te overweldigen.

 

Toch is hij nog niet gerust. In de nacht staat hij op en zet zijn vrouwen, kinderen en alles wat hij heeft op een doorwaadbare plaats van de beek Jabbok over. Veilig om dat in de nacht te doen. Beter dat ze wat verder van de rivier af zijn als Ezau komt. Zelf blijft hij aan de noordkant van de Jabbok over. Alleen. In de nacht, Met zijn vrees en schuld tegenover Ezau, tegenover vader Izak en tegenover de Heere God.

 

Ongetwijfeld wil Jakob met zijn vrees en aanklagend en beschuldigend geweten alleen zijn. Hoe lief ze hem ook zijn, hij wil en kan de zijnen thans niet bij zich hebben. De nood is groot. Jakob is doodsbang. Hij moet met zichzelf in het reine komen. Hoe kan hij rust krijgen in zijn geweten?

Er zijn van die ogenblikken dat je inderdaad geheel alleen wil zijn. Alleen met de Heere. Jakob zoekt in het gebed de Heere. En wat gebeurt? in het duister van de nacht komt er Iemand op hem af. Een Man. Ongetwijfeld overvalt hem een grote schrik. Aanvankelijk weet Jakob niet wie deze vreemdeling is. Deze grijpt Jakob aan, Jakob verdedigt zich en er ontstaat een worsteling. Op leven en dood. Die man merkt dat hij Jakob niet kan overmeesteren of overwinnen. Tijdens de strijd raakt hij het heupgewricht van Jakob aan waardoor dat ontwricht wordt. De kracht van Jakob is gebroken. Toch houdt hij nog vol.

 

Wie is deze Man? In vers 28 staat dat Jakob met God en de mensen heeft geworsteld. In Hosea 12 staat dat Jakob met God en de Engel heeft geworsteld. De HEERE treedt in deze nacht Jakob tegemoet. Hij gaat met Jakob de strijd aan. Hij is de Tegenstander van Jakob en laat al worstelend Jakob aan de overwinnende hand. En toch breekt Hij de kracht van Jakob en laat hem zijn zwakte gevoelen. Ondanks dat houdt Jakob vol.

 

Waarom gebeurt dit allemaal en welke lessen kunnen we hieruit trekken. Wel, het leven van Jakob kenmerkt zich door veel worstelingen en beproevingen. Zo was het in het verleden en hem staat nog veel strijd te wachten. In die strijd zal hij uiteindelijk overwinnen. Niet in eigen kracht, maar door Gods genade.

Het leven kent veel verdrukkingen, moeiten en zorgen, strijd en verzoekingen. De Heere Jezus sprak tot Zijn leerlingen: In de wereld zult gij verdrukking hebben. Maar hebt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen. (Joh.16,33). Paulus sprak in de synagoge te Antiochië dat wij door veel  verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk Gods. (Hand14,22). Het kan ons door de verdrukkingen zeer bang zijn. In groot gevaar voel je van God en mensen verlaten. De geestelijke vijanden kunnen hevig te keer gaan. Een dezer dagen zal ik, zei David, door de hand van Koning Saul omkomen.

De Heere staat boven alles en alles valt onder Zijn voorzienige leiding. Hij treedt in die strijd van het leven Zijn kinderen tegemoet.  Zijn hand is er in. Waarom? Opdat we in die strijd het vertrouwen op eigen kracht en wijsheid leren verliezen. Om juist meer in een vurig gebed de hemel te bestormen,  om juist in het geloof alles van de Heere te verwachten en in het geloof geoefend te worden. En nu, wat verwacht ik o HEERE, mijn hoop die is op U. Eigen krachten te verachten wordt op Jezus’ school geleerd. Paulus kende een doorn in zijn vlees. De grote les was: Als ik zwak ben, dan ben ik machtig. Christus heeft alle machten overwonnen. De Heere Jezus sprak: Zo wie zijn leven behouden wil, die zal het verliezen, maar zo wie zijn leven verliezen zal om Mijnentwil die zal het behouden. (Lukas 9,24).

Calvijn zegt ervan:  Wij moeten in dit bouwvallige leven verzoekingen ondergaan. Alle knechten Gods zijn op deze wereld gelijk aan worstelaars. Want de Heere oefent hen door onderscheiden soorten  van strijd. God streed met hem opdat wij zouden weten dat God ons geloof beproefd. Als wij beproefd worden hebben we met Hem te doen. Juist in de beproevingen leren we met God te worstelen. In deze strijd zijn de rollen zo verdeeld dat Hij ons met de ene hand aanvalt en met de andere verdedigt.  Met de linkerhand strijdt Hij tegen ons en met de rechterhand voor ons.

Want terwijl Hij maar zachtjes tegen ons strijdt, voorziet Hij ons met onoverwinlijke kracht.   

 

Op welke wijze komen we uit de verzoeking? De kracht van Jakob is gebroken. Hij komt mank uit de strijd. We worden gewond. Gods kracht wordt in zwakheid volbracht. Opdat onze roem met ootmoed gepaard zou gaan.

 

Dat is het eerste. Maar er is meer.