Jakob op de grens bij Pni-el (2/2)

Genesis 32: 24 – 32 

2. Verootmoediging  

Wanneer Jakob bij de grens van het beloofde vertoeft, komt God hem tegen. Let er op. Het initiatief gaat geheel van de Heere uit. Hij is de eerste Die Jakob opzoekt. Hij treedt al worstelend Jakob tegemoet. De Heere verschijnt in mensengedaante zoals Hij ook eens aan Abraham verscheen bij de eikenbossen van Mamre. Hosea spreekt van de Engel. We denken aan de Engel des HEEREN, een openbaring van de Tweede Persoon van het Goddelijk Wezen. God verschijnt hem in menselijke zwakheid.

 

Eens komt Hij in deze wereld in het vlees. Het Woord is vlees geworden. Hij Die God is en blijft neemt de zwakke menselijke natuur aan om plaatsbekledend aan het recht des Vaders te voldoen. Hij worstelt in de hof Gethsemane als de beker van de volle toorn van God op Hem afkomt. Hij zet die beker aan de lippen geheel gewillig in gehoorzaamheid aan de Vader. In Zijn kruislijden ondergaat Hij de eeuwige Godsverlating en voldoet volkomen. Nu zit Hij aan de rechterhand des Vaders vanwaar Hij zijn kerk vergadert, leidt en beschermt.

 

De Heere treedt in deze nacht op de grens Jakob tegemoet in Zijn heiligheid en rechtvaardigheid. Jakob moet zich eerst met Ezau verzoenen. Jakob moet zich met God verzoenen. De HEERE is de Almachtige, de rechtvaardige Rechter. Er liggen bij Jakob zonden, tegen Ezau, tegen zijn vader, tegen de Heere. God stapt er niet overheen. God ziet de zonden niet door de vingers. God is immers volkomen rechtvaardig.

 

Al worstelend ontdekt Jakob wie deze Man is. De Heilige Heere. In deze geestelijke strijd grijpt Jakob de Heere aan in Wie Hij is in Zijn barmhartigheid en waarheid. Zijn worstelen wordt smeken en zijn smeken wordt wenen. Jakob volhardt in deze worsteling. We lezen dat de Heere hem niet overmocht, dat wil zeggen niet kan overwinnen. Hij is weliswaar de Almachtige, maar in Zijn genade laat Hij Jakob volharden en toont Hij zich zwakker. Zodat Jakob blijft smeken en bidden. Totdat de Heere zijn heupgewricht aanraakt  zodat deze verwrongen wordt. De Heere toont met deze ruk dat Hij Jakob kan doden. Dat Jakob de dood waardig is en voor de Heere niet kan bestaan. Immers:  Zo Gij Heere in het recht wilt treden en gadeslaan mijn ongerechtigheden, wie kan dan bestaan. Jakob niet, u niet en ik niet. Toch spaart de Heere hem door slechts zijn heupgewricht aan te raken. Voor de Heere heeft Jakob geen grond meer om op te staan. Toch volhardt hij aangezien de Heere hem slaat om hem te behouden.

 

Dan zegt de Heere tegen hem: Laat Mij gaan want de dageraad is opgegaan. Hoelang de worsteling heeft geduurd is niet precies te zeggen. Niet heel de nacht, want Jakob heeft eerst zijn gezin en  bezit over de Jabok gezet. Nu breekt de dageraad aan. De Heere kan zomaar vertrekken, maar doet dat nog niet. Hij vraagt om losgelaten te worden teneinde Jakob te beproeven en aan te zetten tot volhardend gebed en hem daartoe uit te lokken. Zo is de handelswijze van de Heere met Zijn kinderen. Als de beproeving geen einde neemt en te zwaar dreigt te worden of als het lijkt dat Hij ons gaat verlaten doet Hij dat om ons te lokken nog meer tot Hem de toevlucht te nemen.

 

De handelswijze van de Heere ontlokt aan Jakob door de Geest der genade en der gebeden de wonderschone bede:  Ik laat U niet gaan tenzij Gij mij zegent. Jakob buigt onder de Heere als een  totale zondaar die geen rechten meer heeft en de dood waardig is. Toch laat Hij de Heere niet los en  smeekt om Zijn zegen.

 

Merkwaardig. Laten we nog even letten op Hosea 12. De profeet stelt het schuldige volk Jakob tot voorbeeld. In moeders buik hield hij zijn broeder bij de verzenen. Toen Rebekka de eigenaardige worsteling in haar buik waarnam sprak de Heere dat de meerdere de mindere zal dienen. Bij de geboorte greep Jakob zijn broer Ezau bij de hiel. Van af het begin was het Jakob in zijn leven door genade om de Heere te doen en om de zegen des Heeren en om het verbond dat de Heere sloot met Abraham en Izak.

Jakob heeft echter  deze zegen trachten te verkrijgen door bedrog, leugen en list. Zijn handelswijze met Ezau en zijn blinde vader en ook met zijn schoonvader Laban is vol bedrog en list. De Bijbel veroordeelt dat. Hij greep zelf in een zondige weg naar de verbondszegen . Nee, zo verkrijgt een  mens die niet. Het is uit enkel genade.

 

Nu smeekt Jakob de Heere: Ik laat U niet gaan tenzij Gij mij zegent.  Heere, uit genade, geef mij Uw zegen. Ik heb die niet verdiend en ben deze niet waardig. Zegen mij op grond van Uw verbond.

De zegen kan alleen bij God vandaan komen. Laten we zo mogen volharden in het gebed. We kunnen zo traag zijn en het gebed nalaten.

Een wonder van genade als de Heere ons tegen komt met Zijn beproevingen en we alle grond verliezen om uit de nood toch te volharden  en te smeken om Zijn zegen  om Christus’ wil.

 

De Heere vraagt naar de naam van Jakob. Wie ben je eigenlijk? Natuurlijk weet de Heere dit, maar Hij lokt als het ware deze belijden is van Jakob uit. En dan klinkt het: Jakob. Met het noemen van zijn naam legt Jakob zijn leven voor de Heere open. Dat is dubbel. Enerzijds is Jakob een gelovig mens die leeft uit Gods verbond en woorden. Anderzijds is hij zwak menselijk en leeft hij nog zondig en vleselijk. De naam Jakob betekent zoveel als:  hij bedriegt, of hielenlichter. Ik denk dat Jakob met het noemen van zijn naam vooral zijn zondig bestaan voor de Heere openlegt. 

 

Zie, daar wil de Heere ons hebben. In verootmoediging onder Hem , in verlies van alles van onszelf. Wees mij de zondaar genadig. Wat een zegen als de Heere ons tegenkomt. Laat ik u mogen herinneren aan het woord van Calvijn. De Heere slaat ons met de ene hand en Hij verdedigt ons  met de andere hand. De beproevingen kunnen zwaar zijn maar de Heere treedt in die weg in het strijdperk ons tegen om ons te verootmoedigen . Hij slaat om te helen.

De Heere zaligt zondaren door Woord en Geest. De Heere treedt in dat Woord ons tegen in Zijn heiligheid en rechtvaardigheid. De Heilige Geest laat mij in dat Woord zien wie ik ben en in de overdenking valt het licht van het Woord over mijn leven en zie ik mijn zonden en zondig bestaan. Tegen U, U alleen heb ik gezondigd en gedaan wat kwaad is in uw ogen, dies ben ik Heere Uw gramschap dubbel en dwars waardig. Wees mij de zondaar genadig . Ik laat U niet gaan tenzij Gij mij zegent.

Welk een gebed om genade, om de zegen des Heeren in dagen van nood en ziekte, in tijden van  aanvechting en beproeving. Voor elke mens nodig om zo aan te houden. Kom zoals je bent, lokt de Heere ons en smeek om Mijn zegen. De Heere wil gebeden zijn.

 

3. Verdieping 

Jakob heeft zijn naam gespeld en voor de Heere beleden wie hij is. De Heere zegt tegen hem: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israel. Jakob ontvangt een nieuwe naam. Israel. El is God. Israel betekent: Hij strijdt met God of God strijdt. De Heere streed met God en Jakob worstelde met de Heere. Als het ware verbindt God zich aan Jakob. Jakob leefde met de Heere in een onvolkomen geloof. Zoals met alle kinderen van de Heere. Hier vindt verdieping plaats in geloof en genade.  

Deze nieuwe naam hoort bij een nieuwe situatie.

We lezen in Op.2,17: Die overwint….Ik zal hem geven een witte keursteen en op de keursteen een  nieuwe naam geschreven welke niemand kent dan die hem ontvangt. Hier is door het geloof een leven uit de goddelijke vergeving. Maar hier gaat het vooral over de voltooiing der herschepping.  Wie bij een wedstrijd overwon kreeg een witte steen met zijn naam erop. Zo kon hij laten zien dat hij gewonnen had. Wie overwint zal in de nieuwe schepping  een witte steen ontvangen met een nieuwe naam. Wit is de kleur van de reinheid. De nieuwe naam duidt op de heerlijkheid van de herschepping. Dan een geheel nieuw leven in Gods gemeenschap. De nieuwe naam  is het leven  met Christus. Wie overwint mag uit genade delen in deze heerlijkheid. Reeds in dit leven.

 

De nieuwe naam betekent voor Jakob een nieuwe situatie in verdieping van zijn geestelijk leven in de omgang met de Heere. De Heere ziet Jakob in gunst aan, doet hem krachtig ervaren Zijn gemeenschap en geeft hem vergeving en doorgaande vernieuwing van het leven. We vragen hoe dat kan.

In de SV staat: Want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en de mensen en hebt overmocht. Israel betekent dan: vorst Gods. Hier zijn vele vragen te stellen. Vorstelijk gedragen met de mensen en met God. Tegenover Ezau en Izak en Laban? Tegenover de Heere? Jakob was een man van daadkracht, maar hij rustte veelal op eigen inzicht en kracht en wegen, vol zonde en menselijke zwakheid en vrees. Hoe kon hij in de worsteling met de Heere overwinnen en kan er sprake zijn in de omgang met mensen van overwinning? Alleen door genade.

Dan denk ik bij Israel aan de Heere Jezus, de ene ware Israeliet.  En Hij heeft tot Mij gezegd: Gij zijt mijn Knecht Israel, door welke ik verheerlijkt zal worden. (Jes49,3) In de worsteling van Jakob met de Heere zien we als in een spiegel de worsteling van Christus in de hof Gethsemane als Hij aan het recht van de Vader volkomen gaat voldoen . Door Hem heeft Jakob overwonnen en is hij een vorst Gods.

 

Jakob  vraagt de Heere naar zijn naam. Zoals later Mozes vraagt naar de heerlijkheid des Heeren. Hij verlangt de Heere meer te mogen kennen. Waarom is het dat ge naar Mijn naam vraagt. De Heere zal later Zijn naam rijker en heerlijker openbaren in Zijn Zoon. Daarvoor is nog niet de tijd gekomen. Jakob  moet het nog met het schemerlicht doen.

En Hij zegende Hem aldaar. De zegen van Zijn genade, van vergeving en vernieuwing, van kracht en nabijheid.

Veel rijker is dat in het NT. Als een zondaar onder de zegenende handen van Christus. Steeds weer.

 

Jakob noemt de naam van die plaats Pniel. Ik heb God gezien aangezicht tot aangezicht en mijn ziel is gered geweest . Ik ben niet gestorven voor de heilige majesteit Gods. Ik mag nog leven. Ik mag nog delen in zijn gunst . En Hij doet Zijn aangezicht over mij lichten.

 

En als Jakob Pniel verlaat gaat de zon op.  Als een teken van het zonlicht van Gods bescherming, gemeenschap, liefde, troost en genade.  Als teken van de Zon der gerechtigheid . Eens gaat de zon voor goed op om nooit meer onder te gaan.