De grote daden des HEEREN gedenken (3/3)

2. Overvolle dag

Met nadruk staat er geschreven in vers 19: “Het volk nu was de tiende der eerste maand uit de Jordaan opgeklommen.”

 

De doortocht vond dus plaats op de tiende van de eerste maand. Heel opmerkelijk. Een zeer bijzondere dag. De eerste maand heet Abib. Na de ballingschap genoemd Nisan. Abib wil zeggen de aren, de maand van de aren. Het is naar onze kalender maart/april.  In de maand Abib staat het gerst in de aar. De volle rijpe aar. Ook begint de steppe te bloeien. Het voorjaar getuigt van het ontluikend leven. 

In deze maand leidde de HEERE Zijn volk Israel uit Egypte en in deze zelfde maand door de Jordaan. Uittocht en intocht in dezelfde maand met een tijdsruimte van veertig jaren. Zo leidt de HEERE in de ene grote verlossingsdaad Zijn volk uit het slavenhuis en brengt het in het leven der rust.

 

Op de tiende  Nisan. Dit was de dag waarop goed gezien de verlossing uit Egypte begon. Op deze dag  moest elke huisvader een lam afzonderen. Een volkomen lam, mannelijk en van een jaar oud. Dit lam verbleef in het gezin tot op de 14e dag. Het is een afgezonderd lam. Alle aandacht werd in deze dagen gericht op het lam zodat het volk goed bepaald werd bij de betekenis en de genadige barmhartigheid Gods. Op de 14e werd het tussen twee avonden geslacht en het bloed werd gesmeerd op de bovendorpel en zijposten van de deur der woningen. Als de engel des verderfs door Egypteland gaat is Israel veilig achter de poort van bloed. De Heere gaat sparend voorbij. Het lam is plaatsbekledend geslacht en spreekt van de verzoening. De uitleiding uit het slavenhuis was dus een wonder van Gods genade gegrond op het verzoenend offer.  Deze dag was ook de dag van de doortocht door de Jordaan en de intocht in het land der belofte. Ook deze is een daad van Gods trouw en genade gegrond  op de verzoening  in Christus.

 Immers wijst dat lam heen naar Christus. Paulus zegt ervan: Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus. ( 1 Kor.5,7). Het volkomen Lam dat de zonde der wereld wegneemt. Het gaat dus om die ene verlossingsdaad waardoor Israel leeft.

 

Christus als het Paaslam is de dood ingegaan en zit nu aan de rechterhand van de Vader. Vandaar vergadert Hij Zijn kerk door Woord en Geest. Het gaat in deze arbeid van Christus om die ene daad van verlossing. Zalig als we daaraan deel  mogen hebben door het geloof.

 

Het geloof leert leven uit die ene grote verlossing in uitleiding, wassing, heiligmaking en verheerlijking.  Verstaan we daar iets van?

De uitleiding uit het slavenhuis der zonde en dood in de weg van het ontdekkende en overtuigende werk des Geestes. Wat gaan dan de banden van de dood en de slavernij der zonde knellen. Ik lag gekneld in banden van de dood. Hoe kom ik daarvan verlost. Alleen door het bloed van Christus. O wonder, als dat bloed van Christus gesprengd wordt op het schuldige geweten. Veilig achter dat bloed.

De wassing. De Heere baant voor het volk als het vastgelopen is een weg door de Rode Zee. De Heere trekt vastgelopen zondaren door de Rode Zee, dat is het bloed van Christus dat reinigt van alle zonden.

De heiligmaking. O jawel , de Heere laat ons zien in de heilige wet die ons veroordeelt. Maar Hij  drukt ook die heilige wet in het hart als een liefdeseis om tot eer van God te leven. Ook in deze weg wordt Christus noodzakelijk. In Hem niet alleen de verzoening, maar ook de heiliging en levensvernieuwing.

De verheerlijking. Het ingaan in het eeuwige leven, in het land de rust. Uit genade om Christus’ wil.

Die Christus heb ik als die veertig jaren mogen verkondigen. Hij is mijn leven.  En van u?

 

3. Onderwijzende toespraak

We lezen  in vers 20 dat Jozua de 12 stenen uit de Jordaan in Gilgal opricht. Hij houdt daarbij een toespraak vol onderwijs. De opgerichte stenen vallen op. Zij vormen een gedenkteken. Wanneer later uw kinderen vragen: Wat zijn deze stenen? Dan moet gij hen onderwijzen . Op het droge is Israel door deze Jordaan gegaan . De wateren van de Jordaan zijn afgesneden geweest  voor de ark des verbonds des HEEREN.  De HEERE Zelf baande de weg en Israel is droogvoets daardoor geleid.

 

We zien hier vraag en onderwijs. De Joodse ouders hadden als taak de kinderen te onderwijzen in de grote daden des HEEREN. De daden des HEEREN gedenken als of zij zelf die hadden meegemaakt om zo in die HEERE te geloven. Daar gaat het om. Dat ook de kinderen  mogen komen tot geloof.

Wij hebben die taak ook vanuit de opdracht Gods bij de doop. Onze kinderen onderwijzen in de daden des HEEREN. Zelf door het geloof eruit leven. Zo hen onderwijzen. Doen we dat nog? Jozua wijst op een vragende jeugd. Laat de jeugd toch heilbegerig de ouderen bevragen. En laten de ouderen onderwijzen ook uit hun eigen leven.

Het kan pijn doen als kinderen een andere weg gaan. Maar we houden ze biddend vast. En weet dat ze nooit los komen van hun opvoeding . Ik heb meegemaakt in mijn ambtelijk werk dat afwijkende kinderen toch mogen terugkeren.  Dat is de trouw van de HEERE .

Rijk als je kinderen het spoor van Gods Woord mogen gaan. We zijn dankbaar dat een van onze zonen de Heere mag dienen in het ambt van predikant. De fakkel wordt  doorgegeven.

 

In het volgende wijst Jozua op de eenheid tussen het Schelfzee-wonder en Jordaanwonder. Ik wees er al op. Schuilen achter het bloed. Trekken door de Rode Zee. Opdat we deel hebben aan  de dood en de opstanding van Christus.

 

Dit opgerichte teken heeft ook onderwijzende waarde voor heel de wereld.  Opdat alle volken der wereld de hand des HEEREN zouden kennen.  God laat de wereld niet ongewaarschuwd verloren gaan . De prediking van Zijn daden komt tot alle volken opdat zij zich bekeren.  Overvloedig  in het NT. Als het Woord heel de wereld overgaat.

Let er nog even op dat Jozua de stenen opricht te Gilgal. Dat is heel sprekend. Gilgal is zoveel als een steenkring, een cromlech. Lag tussen Jericho en de Jordaan. Wellicht moeten we denken aan een Kanaänietisch heiligdom. Reizigers voor of na het overtrekken van de rivier konden hier bidden of offers brengen tot de afgoden. Echter zijn afgoden dode goden.  Kennelijk is gebleken dat de HEERE de levende God is. Juist bij die steenkring bouwt Jozua het gedenkteken op. Een heerlijke prediking. Een streep dwars door de dwaasheid van het afgodendom. Hij eert de Levende  God. De  enige God. De God van trouw en genade. Hij wijst alle afgoden terecht af. Geef de HEERE de eer.  

 

En, nu tot ons allen, opdat gijlieden de HEERE Uw God vreest alle dagen.